De caniene atopische dermatitis (CAD) treft 3 tot 15% van de caniene populatie. De komst van atinvicitinib (NUMELVI, Laboratorium MSD), een selectieve JAK1-remmer van de tweede generatie die in juli 2025 in Europa werd goedgekeurd, heeft het therapeutische landschap van deze aandoening veranderd. Dit overzichtsartikel geeft een gedetailleerde beschrijving van de meest recente gegevens, van het moleculaire mechanisme tot de behandelingsstrategieën.
William BORDEAU, DVM
Cabinet VetDerm, Maisons Alfort (94)
Februari 2026
1. Context en Therapeutische Positionering
1.1 Epidemiologie van de caniene atopische dermatitis
De caniene atopische dermatitis is een chronische inflammatoire huidaandoening met immunologische mediatie waarvan de prevalentie in de algemene caniene populatie wordt geschat op 3 tot 15%, hoewel de ACVD Task Force heeft erkend dat deze cijfers niet op betrouwbare epidemiologische gegevens berusten (Hillier 2001). Pruritus is verantwoordelijk voor meer dan 20% van de consultaties in de algemene diergeneeskunde, en CAD is de eerste identificeerbare oorzaak bij honden jonger dan drie jaar (Drechsler 2024). Wereldwijd predisponente rassen zijn de Labrador Retriever, de Engelse Bulldog, de Boxer, de Mops en de West Highland White Terrier, met significante geografische variaties in de prevalentiecijfers (Hensel 2024). In Hongarije heeft een retrospectieve studie bij 600 atopische honden deze rassenprediposities met lokale bijzonderheden bevestigd (Tarpataki 2006).
Een recente Chinese epidemiologische studie (Dong 2024) die de incidentie van CAD in 14 grote agglomeraties modelleerde, toonde de kritieke rol van klimatologische factoren aan en bevestigde een sterke positieve correlatie met de zomertemperatuur en luchtvochtigheid. Interessant en contra-intuïtief ten opzichte van menselijke atopische modellen rapporteerde diezelfde studie een negatieve correlatie tussen de incidentie van CAD en de concentratie van luchtverontreinigende stoffen, wat wijst op complexe omgevings- en gedynamische dynamieken (zoals een strikt binnenshuis leefstijl tijdens piekverontreinigingsperioden) die de blootstelling aan allergenen bij het gezelschapshond beïnvloeden.
Bij de Labrador Retriever wordt het klinische fenotype gekenmerkt door erythemateuze pruritus die overwegend voorkomt op de concave zijden van de oorschelpen, de interdigitale ruimten en de ventrale zijde van de romp, met terugkerende pododermatitis en externe otitis als cardinale markers van cutane barrièredisfunctie (Gentry 2025). De Franse Bulldog vertoont vaak faciale manifestaties met perioculair en perilabiaal erytheem, terwijl de Duitse Herder letsels ontwikkelt met een overwegend axillaire en inguinale lokalisatie met meer uitgesproken secundaire surinfectie (Hensel 2024). In tegenstelling tot de ichthyose van de Golden Retriever, waarbij de mutatie van het PNPLA1-gen duidelijk werd geïdentificeerd, werd tot op heden geen enkel groot vatbaarheidgen formeel gekarakteriseerd voor CAD.

De Franse Bulldog is gepredisponeerd voor caniene atopische dermatitis
1.2 Pathofysiologie: centrale rol van de JAK-STAT-route
Caniene atopische dermatitis is het resultaat van drie onderling versterkende mechanismen: een defecte cutane barrière die allergenen doorlaat, een op allergie gerichte immuunrespons (Th2-polarisatie) en een progressieve sensibilisatie voor omgevingsallergenen (Santoro 2015, Drechsler 2024). De atopische huid is tegelijk een toegangspoort en een versterker van de ontsteking. Gezien deze complexiteit beveelt ICADA een aanpak aan die de eliminatie van uitlokkende factoren, het herstel van de cutane barrière en de farmacologische controle van de immuniteit combineert (Olivry 2015). Olivry (2019) actualiseerde dit algoritme door er nieuw geïdentificeerde moleculaire doelwitten in op te nemen, met name de route van de Janus-kinasen (JAK) (Olivry 2019).
Talrijke cytokinen die verantwoordelijk zijn voor pruritus en ontsteking bij CAD dragen hun signaal via deze enzymen over binnen de cel. Het blokkeren van JAK’s komt neer op het onderbreken van de overdracht van het inflammatoire bericht nog voordat de cel reageert. Onder deze cytokinen is IL-31 de meest direct pruritogene. Geproduceerd door geactiveerde Th2-lymfocyten, bindt het aan een specifieke receptor (IL-31RA/OSMR) op het oppervlak van cutane sensorische neuronen, wat JAK1 en JAK2 activeert en het kratssignaal direct op neuronaal niveau activeert (Gonzales 2014). TSLP, vrijgegeven door beschadigde keratinocyten, en IL-33 maken ook gebruik van de JAK1-route om de ontsteking in stand te houden en pruritus te versterken.
De intracellulaire sequentie verloopt als volgt. Het cytokine bindt aan zijn membraanreceptor, waardoor de conformatie van de receptor aan de intracellulaire zijde verandert en de geassocieerde JAK’s worden geactiveerd door onderlinge fosforylering. Deze JAK’s fosforyleren op hun beurt de receptor, waardoor ankerplaatsen voor eiwitten genaamd STAT (Signal Transducers and Activators of Transcription) worden gecreëerd. De STAT’s binden aan deze plaatsen, worden gefosforyleerd op een tyrosineresidu, associëren dan in paren en migreren naar de celkern waar ze de transcriptie activeren van genen die coderen voor pro-inflammatoire mediatoren, celproliferatiefactoren en pruritogene moleculen (Gonzales 2014). JAK-remmers blokkeren deze cascade al bij de enzymatische activering, voordat het signaal de kern bereikt, wat hun snelle werking op pruritus verklaart.
1.3 Geschiedenis van JAK-remmers in de diergeneeskunde
Oclacitinib (APOQUEL® ND, Zoetis), de eerste JAK-remmer die werd goedgekeurd voor de diergeneeskunde, verkreeg zijn handelsvergunning in de Verenigde Staten in mei 2013 voor de controle van pruritus geassocieerd met allergische dermatitis en de controle van atopische dermatitis bij honden van ten minste 12 maanden oud. In geïsoleerde enzymatische systemen remt oclacitinib JAK1, JAK2, JAK3 en TYK2 met respectieve IC50-waarden van 10, 18, 99 en 84 nM, wat neerkomt op een selectiviteit van slechts 1,8 maal voor JAK1 ten opzichte van JAK2 (Gonzales 2014). Deze bescheiden selectiviteit vereist een doseringsschema in twee fasen: 0,4-0,6 mg/kg tweemaal daags gedurende 14 dagen, gevolgd door eenmaal daags onderhoud, om de plasmaconcentraties onder de inhibitiedrempel van JAK2-afhankelijke cytokinen die betrokken zijn bij hematopoïese te houden (Nederveld 2025). Ilunocitinib (ZENRELIA, Laboratorium Elanco), goedgekeurd door de FDA in september 2024, is een niet-selectieve JAK-remmer met een hoge affiniteit voor JAK1, JAK2 en TYK2, toegediend in een dosis van 0,6-0,8 mg/kg eenmaal daags (Patterson 2025). In een gerandomiseerde klinische studie met 268 atopische honden bereikte 83% van de met ilunocitinib behandelde dieren therapeutisch succes (reductie ≥ 50% van de PVAS- of CADESI-04-score) op dag 28, tegenover 31% in de placebogroep (p < 0,001) (Forster 2025a). Atinvicitinib (NUMELVI, Laboratorium MSD), goedgekeurd door de Europese Commissie op 24 juli 2025, vertegenwoordigt de eerste en enige JAK-remmer van de tweede generatie in de diergeneeskunde, met een selectiviteit voor JAK1 die minstens 10 maal hoger is dan die voor de andere leden van de JAK-familie (EMA 2025).
1.4 Regelgevende ontwikkeling en VHB-status van Numelvi
Op 12 juni 2025 bracht het Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (CVMP) van het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) een positief advies uit voor het verlenen van een vergunning voor het in de handel brengen (VHB) van NUMELVI. De aanvrager van deze VHB is Intervet International B.V., een dochteronderneming van Merck & Co., Inc. (buiten de Verenigde Staten en Canada bekend als MSD). De Europese Commissie verleende de vergunning voor het in de handel brengen op 24 juli 2025, met effectieve marktintroductie in Europa in het derde kwartaal van 2025. Sinds februari 2026 heeft NUMELVI (atinvicitinib) ook een vergunning verkregen in de Verenigde Staten voor de controle van pruritus geassocieerd met allergische dermatitis, inclusief atopische dermatitis bij de hond.
2. Presentatie en Farmaceutische Gegevens
2.1 Internationale niet-gepatenteerde naam op de bijsluiter en ATCvet-code
De internationale niet-gepatenteerde naam (INN) van de werkzame stof is atinvicitinib. De toegewezen ATCvet-code is QD11AH93, waarmee dit geneesmiddel wordt ingedeeld in de categorie dermatologische middelen voor de behandeling van dermatitis, met uitzondering van corticosteroïden, binnen het classificatiesysteem voor geneesmiddelen voor de diergezondheid (EMA 2025). De vermelding «niet van toepassing» staat in de SKP voor de rubrieken betreffende wachttijden, belangrijke onverenigbaarheden en milieuvoorzorgsmaatregelen.
2.2 Kwalitatieve en kwantitatieve samenstelling
Elke tablet bevat respectievelijk 4,8 mg, 7,2 mg, 21,6 mg of 31,6 mg atinvicitinib als werkzame stof. De hulpstoffen omvatten: microkristallijne cellulose, lactosemonohydraat, natriumzetmeelglycolaat (type A), tocofersolaan, hydroxypropylcellulose, watervrij colloïdaal siliciumdioxide en magnesiumstearaat (EMA 2025).

Numelvi-presentaties
2.3 Farmaceutische vormen en beschikbare doseringen (S, M, L, XL)
NUMELVI is beschikbaar als langwerpige, witte tot gebroken witte, breekbare tabletten met een breukgleuf op elk vlak. Vier doseringen zijn beschikbaar: S (4,8 mg), M (7,2 mg), L (21,6 mg) en XL (31,6 mg). Elke dosering wordt geïdentificeerd door een alfabetische markering (« S », « M », « L » of « XL ») gedrukt op elke halve tablet van het bovenste vlak. De tabletten kunnen langs de breukgleuf in twee gelijke helften worden gedeeld (EMA 2025).
2.4 Commerciële verpakkingen en bewaring
Twee soorten primaire verpakkingen zijn beschikbaar: aluminium/PVC/polychloortrifluorethyleen blisterverpakkingen met 30 tabletten per strip (dozen van 1 of 3 strips, ofwel 30 of 90 tabletten), en flacons van hoge-dichtheid polyethyleen (HDPE) met 30 of 90 tabletten. Niet alle formaten zijn noodzakelijkerwijs in elke lidstaat in de handel gebracht. De VHB-nummers lopen van EU/2/25/351/001 tot EU/2/25/351/016. Dit diergeneesmiddel vereist geen bijzondere bewaaromstandigheden. Elke resterende halve tablet moet worden teruggeplaatst in de geopende blister of in de flacon (EMA 2025).
2.5 Wettelijke status en afleveringsvoorwaarden
NUMELVI is een diergeneesmiddel dat uitsluitend op recept verkrijgbaar is. De aflevering is afhankelijk van het voorschrift van een dierenarts (EMA 2025).
3. Moleculair Werkingsmechanisme en Farmacodynamiek
3.1 Fundamentele overzicht van de JAK-STAT-route
De JAK-STAT-signaleringsroute vormt het voornaamste transductiemechanisme voor meer dan 50 cytokinen en groeifactoren. Vier Janus-kinasen (JAK1, JAK2, JAK3, TYK2) en zeven STAT-eiwitten (STAT1 tot STAT4, STAT5a, STAT5b, STAT6) orkestreren deze cascade. JAK1 wordt gerekruteerd door vrijwel alle receptoren voor pro-inflammatoire type I- en type II-cytokinen, waardoor het een centraal knooppunt vormt in de immuun- en pruritogene signalering (Gonzales 2014). JAK2 daarentegen wordt overwegend gerekruteerd door homodimere receptoren voor hematopoïetische cytokinen zoals erytropoëtine (EPO) en GM-CSF, waarvan de JAK2/JAK2-paren de signaaloverdracht verzorgen die nodig is voor de proliferatie van beenmergcellen. JAK3, waarvan de expressie beperkt is tot hematopoïetische cellen, associeert uitsluitend met de gemeenschappelijke γc-keten van de receptoren voor IL-2, IL-4, IL-7, IL-9, IL-15 en IL-21 en speelt een rol bij de lymfocytaire ontwikkeling en homeostase. TYK2 is betrokken bij de signalering van type I-interferonen en IL-12/IL-23, die betrokken zijn bij de antivirale verdediging en de Th1/Th17-polarisatie (Patterson 2025). De specificiteit van de JAK-paren die door elke cytokinereceptor worden gerekruteerd, bepaalt het farmacologische en toxicologische profiel van elke remmer: een molecuul dat bij voorkeur JAK1 remt, zal de pruritogene en pro-inflammatoire cytokinen aanpakken, terwijl een niet-selectieve remming die ook JAK2 omvat, de erytropoïese (via de EPO/JAK2/JAK2-receptor) en granulopoïese (via de GM-CSF/JAK2-receptor) kan compromitteren, en een remming van JAK3 de T- en NK-lymfopoïese kan aantasten. Het begrijpen van deze moleculaire architectuur is de voorwaarde voor de vergelijkende analyse van de drie JAK-remmers die in 2026 beschikbaar zijn in de diergeneeskunde.
3.2 Mechanisme van competitieve en selectieve remming van JAK1
Atinvicitinib werkt als een reversibele competitieve remmer van de katalytische plaats van het JAK1-kinase, door te binden aan de ATP-bindingsplaats in het JH1-kinasedomein. De chemische structuur, die verschilt van de pyrrolopyrimidine-kern van oclacitinib, verleent een selectiviteit die minstens 10 maal hoger is voor JAK1 ten opzichte van JAK2, JAK3 en TYK2 (EMA 2025). Deze selectiviteit van de tweede generatie maakt gerichte remming mogelijk van JAK1-afhankelijke cytokinen betrokken bij pruritus en allergische ontsteking, terwijl de functies van andere JAK’s betrokken bij hematopoïese en gastheerverdediging worden gepreserveerd. Ter vergelijking: oclacitinib heeft een JAK1/JAK2-selectiviteit van slechts 1,8 maal in geïsoleerde enzymatische systemen (IC50 van 10 nM voor JAK1 versus 18 nM voor JAK2) (Gonzales 2014), wat een beperkende factor vormt voor het therapeutische venster van deze eerste generatie.
3.3 Doelwitcytokinen betrokken bij pruritus en ontsteking (IL-31, IL-4, IL-13, TSLP, IL-33)
De remming van JAK1 door atinvicitinib blokkeert de signaaltransductie van meerdere pathogene cytokinen bij CAD. IL-31, het belangrijkste pruritogene cytokine geproduceerd door Th2-lymfocyten, signaleert via het IL-31RA/OSMR-complex dat JAK1/JAK2 rekruteert; selectieve remming van JAK1 volstaat om deze prurigene cascade te onderbreken zonder de JAK2-afhankelijke functies significant te beïnvloeden bij de beoogde dosis (EMA 2025). IL-4, een centrale mediator van Th2-polarisatie en IgE-isotopenomschakeling, signaleert via het IL-4Rα/γc-complex dat JAK1/JAK3 rekruteert. IL-13, betrokken bij bekercelshyperplasie en barrièredisfunctie, gebruikt de JAK1/JAK2/TYK2-paren. TSLP, een keratinocyt-alarmijn vrijgegeven als reactie op barrièreschade en allergene stimuli, activeert een receptor die JAK1/JAK2 rekruteert (Wichtowska 2025). Al deze cytokinedoelwitten convergeren naar de JAK1-route, wat de benadering van selectieve remming voor multiaxiale controle van de pathologie rechtvaardigt (Gonzales 2014).
3.4 Selectiviteit JAK1 vs JAK2, JAK3, TYK2: biochemische gegevens
De biochemische gegevens van Intervet International B.V. geven aan dat atinvicitinib een minimaal tienvoudige selectiviteit (factor ≥ 10) vertoont voor JAK1 ten opzichte van elk van de drie andere leden van de JAK-familie (JAK2, JAK3, TYK2) in geïsoleerde enzymatische systemen (EMA 2025). Als gevolg hiervan heeft atinvicitinib weinig of geen effect op cytokinen betrokken bij hematopoïese (EPO, GM-CSF, afhankelijk van JAK2) of bij gastheerverdediging (IL-12, IL-23, afhankelijk van JAK2/TYK2). Een poster gepresenteerd op het 35e Europees Congres voor Veterinaire Dermatologie (ECVD) in Bilbao in september 2025 bevestigde dat atinvicitinib zich gedraagt als een krachtige en zeer selectieve JAK1-remmer (MSD Animal Health 2025). Ter vergelijking: oclacitinib vereist een aanpassing van de toedieningsfrequentie (overgang van BID naar SID na 14 dagen) om verlengde remming van JAK2-afhankelijke cytokinen te vermijden bij supra-therapeutische plasmaconcentraties (Nederveld 2025).
3.5 Werkingsmechanisme op pruritus: snelheid van effect en neurobiologische grondslagen
Atopische pruritus is het gevolg van stimulering van cutane sensorische zenuwuiteinden door pruritogene mediatoren, voornamelijk IL-31, maar ook IL-4, IL-13 en TSLP, die neuronale receptoren direct activeren via JAK1-afhankelijke routes. De remming van JAK1 door atinvicitinib onderbreekt deze prurigene transmissie al in de eerste uren na orale toediening. Een presentatie op het ECVD-congres 2025 toonde aan dat atinvicitinib de pruritus in een canien model van allergie voor IL-31 significant vermindert, reeds 2 tot 4 uur na toediening (MSD Animal Health 2025). Deze snelheid van werking, klinisch waarneembaar vanaf de eerste dosis, berust op de snelle absorptie van het molecuul (Tmax ≈ 1 uur) en zijn onmiddellijke remming van JAK1-afhankelijke transductie ter hoogte van de sensorische neuronen en keratinocyten (EMA 2025).
3.6 Impact op de regulering van de cutane barrière
Atinvicitinib heeft geen immunosuppressieve effecten geïnduceerd bij de beoogde dosis in de preklinische en klinische studies (EMA 2025). De vermindering van allergische ontsteking afhankelijk van JAK1-enzymatische activiteit leidt tot een afname van de tellingen van met ontsteking geassocieerde witte bloedcellen (eosinofielen, neutrofielen, monocyten), terwijl deze parameters binnen de referentieintervallen blijven, wat wijst op immuunmodulatie eerder dan immunosuppressie (Jirjis 2025). Deze eigenschap is verenigbaar met behoud van de cutane barrièrefunctie, aangezien de verzwakking van de Th2-inflammatoire cascade de afbraak van interkorneocytaire lipiden en epidermale verbindingseiwitten veroorzaakt door pro-inflammatoire cytokinen vermindert.
4. Farmacokinetiek bij de Hond
4.1 Absorptie: orale biologische beschikbaarheid, effect van voeding
Na orale toediening wordt atinvicitinib snel en goed geabsorbeerd, met een gemiddelde maximale plasmaconcentratie (Cmax) van 190 ng/mL, bereikt ongeveer 1 uur (Tmax) na toediening (EMA 2025). De absolute biologische beschikbaarheid, beoordeeld na toediening eenmaal daags gedurende vier dagen, bedraagt ongeveer 65%. De biologische beschikbaarheid is hoger bij gevoerde honden, wat de aanbeveling rechtvaardigt om het geneesmiddel toe te dienen tijdens of vlak voor/na de maaltijd. Deze farmacokinetische eigenschap is rechtstreeks opgenomen in de gebruiksaanwijzing: « het diergeneesmiddel moet eenmaal daags worden toegediend, tijdens of vlak voor/na de maaltijd » (EMA 2025).
4.2 Distributie: distributievolume, binding aan plasma-eiwitten
Het schijnbare distributievolume in steady-state bedraagt 1651 mL/kg lichaamsgewicht, wat wijst op een matige tot uitgebreide weefseldistributie (EMA 2025). Atinvicitinib vertoont een matige binding aan plasma-eiwitten, met 82,3% gebonden stof in canien plasma bij een concentratie van 1802 ng/mL (5 µM). Deze matige binding, lager dan die van veel ontstekingsremmers, bevordert de farmacologisch actieve vrije fractie ter hoogte van de cutane en neuronale werkingsplaatsen.
4.3 Hepatisch metabolisme: betrokken enzymatische routes (CYP450)
Atinvicitinib ondergaat een uitgebreid metabolisme bij de hond, waarbij meerdere metabolieten worden gevormd. De voornaamste klaaringsroute is het hepatische metabolisme, hoewel de specifieke cytochroom P450-iso-enzymen die hierbij betrokken zijn, niet zijn gedetailleerd in de gepubliceerde SKP. De totale lichaamsklaring vanuit het plasma bedraagt 1074 mL/u/kg lichaamsgewicht (17,9 mL/min/kg), wat atinvicitinib plaatst in de categorie moleculen met hoge hepatische klaring (EMA 2025).
4.4 Eliminatie: eliminatiehalfwaardetijd, uitscheidingsroutes
De terminale eliminatiehalfwaardetijd (t1/2, of terminale halfwaardetijd) bedraagt 2 uur na orale toediening, wat aanzienlijk korter is dan die van oclacitinib (ongeveer 4 tot 5 uur) (EMA 2025). De uitscheiding verloopt voornamelijk via de feces via metabolieten, waarbij renale eliminatie met urinaire uitscheiding een ondergeschikte route vormt. Deze korte halfwaardetijd impliceert dat de plasmaconcentraties na elke toediening snel dalen onder de cytokineinhibitiedrempels, wat kan bijdragen aan het gunstige veiligheidsprofiel door de verlengde blootstelling aan remmende concentraties te beperken.
4.5 Populatiefarmacokinetiek: interindividuele variabiliteit volgens lichaamsgewicht
De farmacokinetiek van atinvicitinib is lineair en de blootstelling neemt proportioneel toe met de dosis binnen het geteste interval. Het doseringsschema per gewichtsklasse (0,8-1,2 mg/kg) is ontworpen om de interindividuele variabiliteit binnen elke gewichtsband te dekken. In een studie van 6 maanden uitgevoerd met doses tot 5 maal de maximaal aanbevolen dosis werd bij sommige individuen een lichte accumulatie waargenomen, met het bereiken van steady-state na 7 weken (EMA 2025).
4.6 Farmacokinetiek bij bijzondere populaties (nier-/leverfalen)
Er zijn geen specifieke farmacokinetische studies uitgevoerd bij honden met nier- of leverfalen. De voornamelijk metabolische (fecale) eliminatieroute en de geringe bijdrage van renale uitscheiding suggereren echter een beperkt risico op accumulatie bij matig nierfalen. Het gebruik bij dieren met significant leverfalen dient onderwerp te zijn van een individuele baten-risicoafweging door de verantwoordelijke dierenarts.
5. Indicaties, Dosering en Toedieningswijze
5.1 Officiële VHB-indicatie
NUMELVI is geïndiceerd voor de behandeling van pruritus geassocieerd met allergische dermatitis, inclusief atopische dermatitis, bij honden. Het is ook geïndiceerd voor de behandeling van de klinische manifestaties van atopische dermatitis bij honden (EMA 2025). Deze twee afzonderlijke indicaties omvatten zowel de symptomatische controle van pruritus ongeacht de allergische etiologie (inclusief voedselallergie, allergie voor vlooienbeten, contactallergie) als de behandeling van de specifieke huidletsels van CAD.
5.2 Aanbevolen dosering volgens gewichtsklassen
De aanbevolen dosis bedraagt 0,8 tot 1,2 mg atinvicitinib/kg lichaamsgewicht, eenmaal daags oraal toegediend, tijdens of vlak voor/na de maaltijd (EMA 2025). Het doseringsschema met één dagelijkse toediening vanaf het begin van de behandeling vormt een vereenvoudiging ten opzichte van oclacitinib, dat een inductiefase vereist van tweemaal daagse toediening gedurende 14 dagen.
5.3 Gids voor de keuze van de dosering (tabel gewicht/tablet)
De keuze van de dosering wordt bepaald volgens de volgende gewichtsklassen: honden van 3,0 tot 4,3 kg: ½ tablet van 4,8 mg (ofwel 2,4 mg); honden van 4,4 tot 6,0 kg: 1 tablet van 4,8 mg; honden van 6,1 tot 9,0 kg: 1 tablet van 7,2 mg; honden van 9,1 tot 13,5 kg: ½ tablet van 21,6 mg (ofwel 10,8 mg); honden van 13,6 tot 19,3 kg: ½ tablet van 31,6 mg (ofwel 15,8 mg); honden van 19,4 tot 26,5 kg: 1 tablet van 21,6 mg; honden van 26,6 tot 39,5 kg: 1 tablet van 31,6 mg; honden van 39,6 tot 54,0 kg: 1½ tabletten van 31,6 mg; honden van 54,1 tot 79,0 kg: 2 tabletten van 31,6 mg. Honden buiten deze gewichtsbanden kunnen een combinatie van hele en/of halve tabletten ontvangen om de beoogde dosis van 0,8-1,2 mg/kg te bereiken. De beschikbare doseringen laten geen nauwkeurige dosering toe bij honden met een gewicht van minder dan 2 kg (EMA 2025).
5.4 Toedieningswijze en -route, beheer van breekbare tabletten
Toediening is uitsluitend oraal. De tabletten zijn breekbaar langs de breukgleuf en kunnen in twee gelijke helften worden gedeeld. Elke niet-gebruikte halve tablet moet worden teruggeplaatst in de geopende blister of in de flacon (EMA 2025).
5.5 Behandelingsduur en klinische herbeoordeling
De intensiteit en de duur van de tekenen van allergische dermatitis, inclusief atopische dermatitis, zijn variabel. De noodzaak van een langdurige behandeling dient te berusten op een individuele baten-risicoafweging. Het wordt aanbevolen om complicerende factoren zoals bacteriële, schimmel- of parasitaire infecties (bijvoorbeeld: vlooien, Demodex-mijten) en onderliggende oorzaken (vlooienallergie, contactallergie, voedselallergie) op te sporen en te behandelen (EMA 2025).
5.6 Te volgen handelwijze bij vergeten dosis of overdosering
De SKP vermeldt geen specifieke handelwijze bij een vergeten dosis. Bij overdosering beperkt de hoge selectiviteit voor JAK1 het potentieel voor bijwerkingen gemedieerd door de andere JAK-enzymen. Het diergeneesmiddel werd goed verdragen wanneer het oraal werd toegediend aan gezonde 6 maanden oude pups die werden behandeld met overdoseringen tot 5 maal de maximaal aanbevolen dosis, eenmaal daags gedurende 6 maanden. Bij significante overdoseringen kan de behandeling leiden tot een grotere vatbaarheid voor de ontwikkeling van bacteriële, schimmel- en/of parasitaire huidziekten. Symptomatische behandeling wordt aanbevolen bij bijwerkingen als gevolg van overdosering (EMA 2025).
6. Voorzorgsmaatregelen voor Gebruik, Contra-indicaties en Interacties
6.1 Absolute contra-indicaties
NUMELVI is gecontra-indiceerd bij overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor een van de hulpstoffen (EMA 2025).
6.2 Algemene voorzorgsmaatregelen voor gebruik
Er zijn geen bijzondere waarschuwingen vastgesteld buiten de hieronder beschreven voorzorgsmaatregelen voor gebruik (EMA 2025).
6.3 Gebruik bij pups, drachtige of zogende vrouwtjes
De veiligheid van NUMELVI is niet beoordeeld bij honden jonger dan 6 maanden of met een gewicht van minder dan 3 kg. Het gebruik bij jongere dieren of dieren met een lager gewicht dient te berusten op een baten-risicoafweging. Dit is de enige JAK-remmer die is goedgekeurd bij honden vanaf de leeftijd van 6 maanden, wat een voordeel is ten opzichte van oclacitinib (voorbehouden voor honden van 12 maanden en ouder) en ilunocitinib (Patterson 2025). Gebruik wordt niet aanbevolen tijdens dracht, lactatie of bij fokdieren. Laboratoriumstudies bij ratten en konijnen toonden effecten op de prenatale ontwikkeling, inherent aan de klasse van JAK-remmers. Studies bij mannelijke ratten toonden een effect op het aantal spermatozoa en de spermatozoïdenmotiliteit (EMA 2025).
6.4 Voorzorgsmaatregelen bij immuungecompromitteerde of geïnfecteerde dieren
De veiligheid van het diergeneesmiddel is niet beoordeeld bij honden met tekenen van immunosuppressie zoals ongecontroleerde primaire hypothyreoïdie of rickettsiose, noch bij dieren met progressieve maligne neoplasie. Het gebruik in deze gevallen dient te berusten op een baten-risicoafweging door de verantwoordelijke dierenarts (EMA 2025).
6.5 Bekende of potentiële geneesmiddeleninteracties
Er zijn geen geneesmiddeleninteracties bekend. Er werden geen interacties waargenomen in de veldstudies wanneer NUMELVI gelijktijdig werd toegediend met andere diergeneesmiddelen zoals antimicrobiële middelen (inclusief topische), ecto- en endoparasiticides (isoxazolines, milbemycines, avermectines, pyrethroïden), voedingssupplementen, auriculaire en topische cutane reinigingsmiddelen die geen glucocorticoïden bevatten, en medicinale shampoos (EMA 2025). De afwezigheid van bekende geneesmiddeleninteracties vormt een praktisch voordeel voor de multimodale behandeling van CAD.
Een belangrijk differentiatiepunt is de afwezigheid van impact op de vaccinale immuunrespons. Een specifieke studie toonde aan dat een adequate serologische respons op levende verzwakte vaccins tegen canien adenovirus type 2 (CAV-2), het hondenziektevirus (CDV), het canien parvovirus (CPV) en het geïnactiveerde vaccin tegen het rabiësvirus (RV) werd verkregen bij vaccinaal naïeve 6 maanden oude pups die atinvicitinib ontvingen aan 3,6 mg/kg/dag (ofwel 3 maal de maximaal aanbevolen dosis) gedurende 84 dagen (EMA 2025). Deze poster, gepresenteerd op het ECVD-congres 2025 in Bilbao onder de titel « Protective antibody response to core vaccine antigens in dogs treated with high dose atinvicitinib », vormt een sterk argument voor het gebruik van NUMELVI bij jonge honden in de periode van primovaccinatie, daar waar oclacitinib gecontra-indiceerd is bij dieren jonger dan 12 maanden en de gegevens over ilunocitinib bij gelijktijdige vaccinatie beperkter zijn.
6.6 Bijzondere voorzorgsmaatregelen voor de menselijke gebruiker
Personen die het geneesmiddel toedienen, moeten onmiddellijk na gebruik hun handen zorgvuldig wassen met zeep en water (EMA 2025).
6.7 Bijwerkingen: frequentie, aard en klinisch beheer
De bij honden waargenomen bijwerkingen worden geclassificeerd als frequent wanneer ze 1 tot 10 dieren op 100 behandelde dieren betreffen en omvatten: braken, diarree, lethargie en anorexie (verminderde eetlust). In de klinische studie met 289 allergische honden waren de gerapporteerde bijwerkingen mild en voorbijgaand: braken (2,1% atinvicitinib vs 1,4% placebo), diarree (2,1% vs 4,9%), anorexie (0,7% vs 2,1%) en lethargie (2,8% vs 1,4%) (Jirjis 2025). In deze studie werden geen papillomen of cutane massa’s gerapporteerd.
7. Klinische Werkzaamheidsgegevens
7.1 Preklinische studies (in vitro en experimentele diermodellen)
De in vitro farmacodynamische studies bevestigden de kracht en de hoge selectiviteit van atinvicitinib voor JAK1 ten opzichte van de andere leden van de JAK-familie. Een poster gepresenteerd op het ECVD-congres 2025 in Bilbao, getiteld « The second-generation Janus kinase inhibitor atinvicitinib is a potent and highly selective inhibitor of JAK1 », beschreef het biochemische selectiviteitsprofiel van het molecuul (MSD Animal Health 2025). In een canien model van door IL-31 geïnduceerde pruritus toonde een presentatie op hetzelfde congres aan dat atinvicitinib de pruritus significant vermindert binnen 2 tot 4 uur na orale toediening, wat de correlatie bevestigt tussen JAK1-remming en snelle controle van krabgedrag (MSD Animal Health 2025).
7.2 Pivotale werkzaamheidsstudie — multicentrische gerandomiseerde gecontroleerde studie (CADESI, PVAS)
De pivotale studie gepresenteerd op het ECVD-congres 2025 onder de titel « The Second-Generation Janus Kinase 1 Selective Inhibitor Atinvicitinib is a Safe and Effective Once-Daily Treatment For Dogs with Atopic Dermatitis » beoordeelde de veiligheid en werkzaamheid van NUMELVI bij eigenaarshonden gediagnosticeerd met CAD volgens de Favrot-criteria en met significante pruritus. De dieren werden gerandomiseerd om hetzij twee verschillende doseringsschema’s van atinvicitinib te ontvangen, hetzij een placebo gedurende een vastgestelde periode. Het primaire werkzaamheidscriterium was het aandeel honden dat een reductie ≥ 50% bereikte van de pruritusscore (PVAS beoordeeld door de eigenaar) of de ernst van de huidletsels. De resultaten toonden aan dat 87,5% van de honden die 0,8-1,2 mg atinvicitinib/kg eenmaal daags ontvingen gedurende de gehele studie dit therapeutisch succescriterium bereikten, tegenover slechts 23,1% in de placebogroep (MSD Animal Health 2025). De behandeling werd goed verdragen zonder behandelingsgerelateerde bijwerkingen in deze studie. Dit responspercentage van 87,5% onder atinvicitinib behoort tot de hoogste gerapporteerde voor een JAK-remmer bij CAD, hoewel de specifieke methodologie van deze studie (inclusiescriteria, duur, beoordelingsmodaliteiten) in aanmerking moet worden genomen vóór elke indirecte vergelijking met studies die op andere moleculen zijn uitgevoerd. De afwezigheid van behandelingsgerelateerde bijwerkingen in de atinvicitinib-groep versterkt de hypothese dat de JAK1-selectiviteit van de tweede generatie de baten-risicobalans verbetert ten opzichte van de eerstegeneratie-remmers.
7.3 Veldstudie over allergische pruritus — gerandomiseerde gecontroleerde studie (289 honden)
Een tweede grootschalige, gerandomiseerde, placebogecontroleerde klinische studie met 289 eigenaarshonden die leden aan allergische dermatitis werd op hetzelfde congres gepresenteerd onder de titel « The Second-Generation Janus Kinase 1 Selective Inhibitor Atinvicitinib: A Safe and Effective Once-Daily Treatment for Pruritus in Dogs with Allergic Dermatitis » (Jirjis 2025). Deze veldstudie omvatte honden met ernstige pruritus geassocieerd met allergische dermatitis van welke etiologie dan ook, waardoor een populatie representatief voor de dagelijkse klinische praktijk werd geboden, inclusief gevallen van voedselallergie, allergie voor vlooienbeten en atopische dermatitis. Eenmaal daags toegediend in de aanbevolen dosis van 0,8-1,2 mg/kg werd NUMELVI goed verdragen met milde en voorbijgaande bijwerkingen. Op dag 7 vertoonde 81,8 ± 3,8% (kleinste-kwadraatgemiddelde ± SEM) van de met atinvicitinib behandelde honden een reductie ≥ 2 cm van de PVAS-score, tegenover 46,5 ± 5,3% in de placebogroep (p < 0,0001). Significant meer met atinvicitinib behandelde honden vertoonden een reductie van 50% van de PVAS gedurende ten minste 5 van de eerste 7 behandelingsdagen (p = 0,0109) (Jirjis 2025). Op het vlak van hematologische tolerantie werden geen opmerkelijke wijzigingen van erytrocytaire parameters of klinische biochemie waargenomen. De gemiddelde tellingen van eosinofielen, neutrofielen, monocyten en totale witte bloedcellen namen af in de behandelingsgroep maar bleven binnen de fysiologische grenzen, wat de vermindering van allergische ontsteking zonder immunosuppressie bevestigt. De veiligheidsinformatie toonde aan dat papillomen en cutane massa’s, zorgsignalen bij andere JAKi, niet werden gerapporteerd in deze studie. De post-VHB-farmacovigilantiegegevens worden momenteel verzameld overeenkomstig de EMA-vereisten (EMA 2025).
7.4 Studies over het kortetermijns antipruritisch effect (D1–D7)
De kortetermijnwerkzaamheid van atinvicitinib op pruritus werd aangetoond al in de eerste uren na toediening. Het caniene IL-31-allergiemodel toonde een significante vermindering van pruritus 2 tot 4 uur na de eerste dosis (MSD Animal Health 2025). In de klinische studie met 289 honden was het aandeel honden met een reductie ≥ 50% van de PVAS al significant hoger in de atinvicitinib-groep ten opzichte van placebo vanaf dag 3 van de behandeling (Jirjis 2025). NUMELVI wordt door de VHB-houder beschreven als « klinisch werkzaam vanaf de eerste dosis ».
7.5 Studies over de langetermijnwerkzaamheid (3–6 maanden)
De pivotale studie over CAD evalueerde de honden gedurende de volledige duur van het protocol, waarbij 87,5% van de dieren die de aanbevolen dosis ontvingen het therapeutische succescriterium bereikten (reductie ≥ 50% van pruritus of huidletsels) (MSD Animal Health 2025). De tolerantiestudie bij hoge doses (tot 5 maal de maximale dosis) uitgevoerd gedurende 6 maanden bij 6 maanden oude pups onthulde geen beperkende toxiciteit, met goede langdurige tolerantie (EMA 2025). Aanvullende gegevens over de werkzaamheid na 6 maanden worden verwacht in de post-VHB-publicaties.
7.6 Gegevens over de levenskwaliteit van dieren en eigenaren
Een studie die gebruik maakte van een 3D-versnellingsmeter voor de op afstand beoordeling van activiteit en gedrag bij gezonde en atopische honden werd gepresenteerd op het ECVD-congres 2025, met objectieve gegevens over de impact van de behandeling op de levenskwaliteit (MSD Animal Health 2025). De vermindering van pruritus en ontsteking vertaalt zich klinisch in een verbetering van de slaap, een vermindering van krab- en likgedrag en een herstel van de sociale interactie met de eigenaar.
8. Veiligheids- en Tolerantiegegevens
8.1 Tolerantiestudies bij doeldosis en hoge doses (5x, 10x)
De tolerantiestudie bij meerdere doses werd uitgevoerd bij gezonde 6 maanden oude pups die atinvicitinib ontvingen in doses tot 5 maal de maximaal aanbevolen dosis (ofwel tot 6,0 mg/kg/dag), eenmaal daags gedurende 6 maanden. Het geneesmiddel werd goed verdragen bij deze hoge doses, zonder grote klinische bijwerkingen (EMA 2025). Deze veiligheidsmarge dient te worden gezien in het perspectief van de korte halfwaardetijd van 2 uur, die de cumulatieve systemische blootstelling beperkt ondanks de hoge doses.
8.2 Hematologisch en biochemisch profiel: longitudinale opvolging
In de klinische studie met 289 honden werden geen opmerkelijke wijzigingen noch abnormale tendensen in erytrocytaire parameters, klinische biochemie en urineanalyse waargenomen bij honden behandeld met atinvicitinib (Jirjis 2025). De gemiddelde tellingen van eosinofielen, neutrofielen, monocyten en totale witte bloedcellen namen af bij behandelde honden, maar bleven binnen de referentie-intervallen, wat wijst op een vermindering van allergische ontsteking eerder dan op immunosuppressie. Dit gunstige hematologische profiel contrasteert met de noodzakelijke voorzorgsmaatregelen bij langdurig gebruik van oclacitinib in tweemaal daagse dosering, waarbij de plasmaconcentraties de remmingsdrempels van JAK2-afhankelijke cytokinen betrokken bij hematopoïese kunnen benaderen (Nederveld 2025).
8.3 Impact op immuuntoezicht: intercurrente infecties
Bij de aanbevolen dosis heeft atinvicitinib geen immunosuppressieve effecten geïnduceerd (EMA 2025). De percentages secundaire infecties (bacterieel, schimmel, parasitair) waren niet significant verhoogd in de behandelingsgroepen ten opzichte van placebo in de klinische studies. Bij significante overdoseringen werd een verhoogde vatbaarheid voor de ontwikkeling van bacteriële, schimmel- en/of parasitaire huidziekten vermeld als potentieel risico (EMA 2025).
8.4 Oncologische gegevens: signalen van neoplastisch risico
De vraag naar het neoplastisch risico is een aandachtspunt voor de gehele klasse van JAK-remmers, vanwege de rol van de JAK-STAT-route in tumorale signalering en anti-tumoraal immuuntoezicht. In de humane geneeskunde werden JAK1/JAK2-remmers zoals ruxolitinib geassocieerd met een verhoogde incidentie van basaalcel- en spinocellulair carcinoom (17,1% vs 2,7% onder andere therapieën) (Marsella 2023). Tofacitinib, een JAK1/JAK3-remmer, was onderwerp van regelgevende waarschuwingen betreffende het trombo-embolische en neoplastische risico bij patiënten met reumatoïde artritis. In de diergeneeskunde hebben retrospectieve analyses van het langdurig gebruik van oclacitinib bij atopische honden geen significante toename van het neoplastisch risico bevestigd (Nederveld 2025), hoewel farmacovigilantiesignalen werden gerapporteerd (papillomen, histiocytomen).
Hoewel in de initiële klinische studie van 28 dagen met 289 honden behandeld met atinvicitinib geen papillomen of cutane massa’s werden gerapporteerd (Jirjis 2025), is het methodologisch noodzakelijk te onderstrepen dat een studie van zo korte duur noch de statistische kracht noch de temporele follow-up heeft die vereist zijn om het neoplastisch risico van een nieuw molecuul te beoordelen. Elke directe vergelijking met oclacitinib dient genuanceerd te worden: hoewel dit laatste gedurende zijn 13 jaar op de markt aanleiding gaf tot geïsoleerde meldingen van papillomen, hebben de recente uitgebreide retrospectieve epidemiologische studies (Nederveld 2025) formeel aangetoond dat de globale incidentie van neoplasieën statistisch niet hoger is onder oclacitinib in vergelijking met andere systemische therapieën. De verhoogde selectiviteit van atinvicitinib voor JAK1 biedt een aantrekkelijke mechanistische veiligheid, maar alleen de rigoureuze accumulatie van farmacovigilantiegegevens over meerdere jaren zal dit theoretische oncologische voordeel kunnen bevestigen.
De hoge JAK1-selectiviteit (factor ≥ 10) zou theoretisch het risico op interferentie met de JAK2/JAK3/TYK2-routes betrokken bij anti-tumoraal immuuntoezicht moeten verminderen, aangezien de gastheerverdedigingsfuncties afhankelijk van JAK2 (NK-cellen, macrofagen geactiveerd door IL-12/IL-23) en JAK3 (cytotoxische T-lymfocyten) worden gepreserveerd. Echter zal een langere post-VHB-opvolging, met systematische oncologische monitoring van cohorten van meerdere duizenden honden behandeld gedurende meer dan 12 maanden, noodzakelijk zijn om de afwezigheid van een oncologisch signaal te bevestigen en het langetermijn veiligheidsprofiel van atinvicitinib op dit punt duurzaam te vestigen.
8.5 Vergelijkende tolerantie met andere JAKi en klassieke immunosuppressiva
De verhoogde selectiviteit van atinvicitinib voor JAK1 (factor ≥ 10 vs JAK2) ten opzichte van oclacitinib (factor 1,8 vs JAK2) vormt de farmacologische basis van een verwacht beter tolerantieprofiel, met name op hematologisch en immunologisch vlak (EMA 2025, Gonzales 2014). De afwezigheid van de noodzaak van een tweemaal daagse inductiefase (in tegenstelling tot oclacitinib) en de mogelijkheid van gebruik vanaf 6 maanden leeftijd (versus 12 maanden voor oclacitinib) versterken het differentiële veiligheidsprofiel.
9. Positionering ten Opzichte van Andere JAKi: Atinvicitinib / Oclacitinib / Ilunocitinib
9.1 Vergelijking van JAK-selectiviteitsprofielen (IC50 en relatieve selectiviteit)
Oclacitinib vertoont enzymatische IC50-waarden van 10, 18, 99 en 84 nM voor respectievelijk JAK1, JAK2, JAK3 en TYK2, ofwel een JAK1/JAK2-selectiviteit van 1,8 maal (Gonzales 2014). Ilunocitinib heeft een hoge affiniteit voor JAK1, JAK2 en TYK2, wat het classificeert als niet-selectieve remmer (Patterson 2025). Atinvicitinib vertoont een minstens tienvoudige selectiviteit (factor ≥ 10) voor JAK1 ten opzichte van elk van de drie andere leden van de JAK-familie (EMA 2025). Deze gradatie van selectiviteit — ilunocitinib < oclacitinib < atinvicitinib — positioneert atinvicitinib als de meest selectieve JAK-remmer die momenteel beschikbaar is in de veterinaire dermatologie.
9.2 Farmacokinetische vergelijking: aanvangstijd, halfwaardetijd, toedieningsfrequentie
Atinvicitinib heeft een Tmax van 1 uur en een halfwaardetijd van 2 uur, oclacitinib een Tmax van ongeveer 1 uur en een halfwaardetijd van 4 tot 5 uur, en ilunocitinib een halfwaardetijd van ongeveer 4 uur. De drie moleculen bieden een snel antipruritisch effect in de eerste uren. De toedieningsfrequentie bedraagt eenmaal daags voor atinvicitinib en ilunocitinib, versus tweemaal daags gedurende 14 dagen en daarna eenmaal daags voor oclacitinib (EMA 2025, Patterson 2025).
9.3 Werkzaamheidsvergelijking: CADESI-04-, PVAS-scores, indirecte meta-analyse
Bij gebrek aan een gepubliceerde directe vergelijkende studie (head-to-head) tussen atinvicitinib en de twee andere JAKi is alleen een indirecte vergelijking mogelijk. Atinvicitinib in een dosis van 0,8-1,2 mg/kg/dag toonde een percentage reductie ≥ 50% van pruritus of letsels bij 87,5% van de atopische honden versus 23,1% onder placebo (MSD Animal Health 2025). Ilunocitinib aan 0,6-0,8 mg/kg/dag toonde een therapeutisch succespercentage van 83% op D28 versus 31% onder placebo (Forster 2025). Voor oclacitinib rapporteerden de historische gegevens van de Australische pivotale studie een werkzaamheid vergelijkbaar met prednisolon bij de controle van pruritus en klinische tekenen van allergische dermatitis bij honden in privépraktijk (Cosgrove 2013). Deze indirecte vergelijkingen dienen met voorzichtigheid te worden geïnterpreteerd vanwege de verschillen in ontwerp, inclusiescriteria en studieduur.
9.4 Vergelijking van tolerantieprofiel en bijwerkingen
De meest frequente bijwerkingen zijn vergelijkbaar voor de drie JAKi: braken, diarree, anorexie en lethargie. Echter heeft atinvicitinib het theoretische voordeel van minder interferentie met JAK2-afhankelijke cytokinen betrokken bij hematopoïese, vanwege zijn tienvoudige selectiviteit. De afwezigheid van papillomen en cutane massa’s in de studie met 289 honden behandeld met atinvicitinib (Jirjis 2025) contrasteert met de historische farmacovigilantiesignalen gerapporteerd voor oclacitinib, hoewel de retrospectieve langetermijnanalyses geen significante toename van het neoplastisch risico onder oclacitinib hebben bevestigd (Nederveld 2025).
9.5 Specifieke voordelen van atinvicitinib ten opzichte van oclacitinib
Atinvicitinib onderscheidt zich van oclacitinib door: een JAK1/JAK2-selectiviteit die minstens 5 maal hoger is (factor ≥ 10 vs 1,8), een vereenvoudigd doseringsschema met één dagelijkse toediening vanaf de eerste dag (vs BID gedurende 14 dagen en dan SID), de mogelijkheid van gebruik vanaf 6 maanden leeftijd (vs 12 maanden), de afwezigheid van impact op de vaccinale immuunrespons aangetoond bij 3 maal de maximale dosis, en de afwezigheid van bekende geneesmiddeleninteracties (EMA 2025).
9.6 Specifieke voordelen van atinvicitinib ten opzichte van ilunocitinib
Ten opzichte van ilunocitinib biedt atinvicitinib een aanzienlijk hogere JAK1-selectiviteit (factor ≥ 10 vs niet-selectief JAK1/JAK2/TYK2-profiel van ilunocitinib), een kortere halfwaardetijd (2 u vs ~4 u), en een goedkeuring voor gebruik vanaf 6 maanden leeftijd. De verhoogde selectiviteit zou theoretisch moeten leiden tot minder impact op hematopoïese en langdurig immuuntoezicht (EMA 2025, Patterson 2025).
9.7 Voordelen en nadelen ten opzichte van andere behandelingen bij de atopische hond: Corticosteroïden, Ciclosporine en lokivetmab
Systemische corticosteroïden (prednisolon, 0,5-1 mg/kg/dag oraal in de aanvalsfase; methylprednisolon, 0,4-0,8 mg/kg/dag) bieden een snelle controle van pruritus in meer dan 80% van de gevallen, maar gaan gepaard met goed gedocumenteerde dosis- en duurafhankelijke bijwerkingen: polyurie-polydipsie (bij 50 tot 85% van de gevallen volgens de studies), polyfagie, cutane atrofie, cutane calcinose, verhoogd infectierisico (secundaire pyodermie, demodecose, dermatofytose), suppressie van de hypothalamo-hypofyse-bijnieras en risico op iatrogeen diabetes mellitus bij langdurig gebruik. Atinvicitinib, met zijn selectieve targeting van de JAK1-route, vermijdt deze pleiotrope effecten van glucocorticoïden terwijl het een vergelijkbaar snel antipruritisch effect biedt. Bijgevolg behouden systemische corticosteroïden hun plaats bij acute opvlammingen die een brede en snelle anti-inflammatoire werking vereisen, maar atinvicitinib vormt een eerstelijnsalternatief voor de langetermijnbehandeling.
Ciclosporine, een calcineurineremmer toegediend aan 5 mg/kg/dag per os, werkt op de activering van T-lymfocyten via remming van de NFAT-route, met aangetoonde werkzaamheid bij CAD (vermindering van ongeveer 50% van CADESI-03 na 4 tot 6 weken behandeling in de pivotale studies). Echter heeft het een langere aanvangstijd (4 tot 6 weken voor het maximale effect), frequente gastro-intestinale effecten in het begin van de behandeling (braken bij 25 tot 30% van de gevallen), en vereist monitoring van renale en hepatische parameters. Atinvicitinib biedt controle van pruritus al in de eerste uren na de eerste dosis, een groot temporeel voordeel in de klinische praktijk.
Lokivetmab (CYTOPOINT, Laboratorium Zoetis), een subcutaan injecteerbaar anti-IL-31 monoklonaal antilichaam, neutraliseert specifiek IL-31 met een uitstekende tolerantie en een veiligheidsprofiel vergelijkbaar met placebo in de klinische studies. Het voordeel ervan ligt in de perfecte therapietrouw (enkelvoudige injectie in de kliniek) en de afwezigheid van systemische immunosuppressie. Lokivetmab onderscheidt zich van JAK-remmers doordat het het cytokine direct neutraliseert in de systemische circulatie vóór de binding aan de receptor, in plaats van intracellulaire transductie te remmen. Hoewel atinvicitinib een multiaxiale remming biedt die gelijktijdig de signalering van meerdere cytokinen blokkeert (IL-31, IL-4, IL-13, TSLP), bijzonder relevant voor fenotypes met een ernstige cutane inflammatoire component, behoudt lokivetmab een beslissend voordeel wat betreft therapietrouw (enkelvoudige injectie) en absolute onschadelijkheid (afwezigheid van hepatisch metabolisme en systemische immunosuppressie). Zo zijn deze twee benaderingen niet strikt hiërarchisch maar integreren zij zich in een therapeutisch continuüm waarbij de kenmerken van de patiënt (leeftijd, hepatische comorbiditeiten, letselfenotype) de keuze van de eerste intentie bepalen. Bij honden wiens klinisch fenotype een uitgesproken cutane inflammatoire component omvat (diffuus erytheem, lichenificatie, papulo-crusteuze letsels), kan de multiaxiale remming van atinvicitinib beter geschikt zijn dan de mono-cytokineneutralisatie van lokivetmab. De associatie lokivetmab + atinvicitinib is niet beoordeeld in gecontroleerde studies, maar de afwezigheid van bekende geneesmiddeleninteracties voor atinvicitinib laat deze mogelijkheid open bij refractaire gevallen, onder voorbehoud van een individuele klinische beoordeling.
10. Perspectieven en Praktische Conclusies
10.1 Plaats van Numelvi in de globale therapeutische strategie voor CAD
De komst van atinvicitinib verrijkt het beschikbare therapeutische arsenaal voor de behandeling van CAD. Als goedgekeurde eerstelijnsbehandeling, toepasbaar vanaf 6 maanden leeftijd in één dagelijkse inname zonder inductiefase, positioneert NUMELVI zich als een voorkeursoptie voor de snelle controle van pruritus en huidletsels van atopische dermatitis en allergische dermatitis in brede zin. De JAK1-selectiviteit van de tweede generatie vormt een farmacologisch argument ten voordele van een beter langetermijn veiligheidsprofiel, hoewel de post-VHB-farmacovigilantiegegevens dit theoretische voordeel zullen moeten bevestigen. Dierenartsen beschikken nu over drie orale JAK-remmers, een anti-IL-31 monoklonaal antilichaam en de conventionele opties (corticosteroïden, ciclosporine, allergene immunotherapie), waardoor therapeutische personalisatie mogelijk is op basis van het klinische fenotype, de leeftijd van het dier, de comorbiditeitsomstandigheden en de individuele respons op de behandeling.
10.2 Haalbare therapeutische combinaties (allergene immunotherapie, topische behandeling)
De afwezigheid van bekende geneesmiddeleninteracties opent de weg voor multimodale strategieën die atinvicitinib associëren met specifieke allergene immunotherapie (ASIT), verzachtende en ceramidenhoudende topische middelen voor het herstel van de cutane barrière, antiseptische shampoos voor de controle van secundaire infecties door stafylokokken en gisten, en ectoparasiticides voor de eliminatie van vlooien en Demodex-mijten als uitlokkende of verzwarende factoren. De aangetoonde afwezigheid van impact op de vaccinale respons, zelfs bij 3 maal de maximale dosis bij vaccinaal naïeve 6 maanden oude pups (EMA 2025), maakt gelijktijdige vaccinatie mogelijk zonder noodzaak van een therapeutisch venster.
10.3 Nog openstaande vragen en lopend onderzoek naar dit nieuwe diergeneesmiddel
Verscheidene vragen blijven open en vormen evenzoveel prioritaire onderzoekspistes.
Directe vergelijkende werkzaamheid (head-to-head studies) tussen atinvicitinib, oclacitinib en ilunocitinib bij homogene caniene populaties vormt de meest dringende behoefte om therapeutische keuzes in de praktijk te sturen. Het reviewartikel van Noli (Noli 2025) benadrukt dat de verschillen in kinaseselectiviteit en farmacokinetisch profiel tussen JAKi zich zouden kunnen vertalen in differentiële klinische voordelen naargelang het ziektefenotype, maar alleen directe vergelijkende studies zullen dit kunnen bevestigen (Noli 2025). Het zeer langetermijn veiligheidsprofiel (> 12 maanden) in reële gebruiksomstandigheden, met longitudinale hematologische monitoring (driemaandelijks volledig bloedbeeld), immunologische monitoring (immunoglobulinegehaltes, herhaalvaccinresponsen) en systematische oncologische monitoring (incidentie van papillomen, histiocytomen, lymfomen en andere tumoren) zal bepalend zijn om atinvicitinib duurzaam te positioneren in de hiërarchie van therapeutische opties.
De impact van atinvicitinib op het cutane microbioom en de kolonisatie door *Staphylococcus pseudintermedius*, een frequente complicatiefactor bij CAD, verdient specifiek onderzoek, temeer omdat de vermindering van JAK1-afhankelijke ontsteking de cutane micro-ecologische omgeving zou kunnen wijzigen. Het potentiële belang van atinvicitinib bij andere caniene immuunermatosen (pemphigus foliaceus, cutane lupus, vasculitis) en bij andere soorten (feline atopische dermatitis, waarvoor momenteel geen JAKi is goedgekeurd) vormt een veelbelovend onderzoeksveld. De volledige karakterisering van de CYP450-metabolische routes betrokken bij het metabolisme van atinvicitinib zou het mogelijk maken potentiële geneesmiddeleninteracties met azool-antimycotica of andere CYP-substraten te anticiperen. De beoordeling van voorspellende biomarkers voor de therapeutische respons — serologisch cytokineprofiel (IL-31/IL-10-verhouding), cutane genexpressie (Th2-transcriptomische handtekening), score voor barrièredisfunctie (meting van transepidermaal waterverlies, TEWL) — vormt ook een ontwikkelingslijn voor precisieneeskunde in de veterinaire dermatologie.
10.4 Praktische aanbevelingen in de veterinaire dermatologie
Het voorschrijven van NUMELVI past in een gestructureerde diagnostische aanpak: de identificatie en behandeling van uitlokkende en verzwarende factoren (vlooien, Demodex, bacteriële en schimmelinfecties, voedselallergie, contactallergie) blijft een onmisbare voorwaarde of aanvulling op elke immunomodulerende therapie. Een eliminatiedieet van minimaal 8 weken dient te worden voorgesteld om een component van voedselallergie uit te sluiten of te bevestigen vóór het starten van een langdurige behandeling. Strikte parasitaire controle (regelmatige ectoparasiticide behandeling tegen vlooien en teken, cutane schrabsels om demodecose door Demodex canis of *Demodex injai* uit te sluiten) is noodzakelijk, aangezien een gelijktijdige vlooienallergie frequent is.
De klinische opvolging dient een regelmatige herbeoordeling van de pruritusscore (PVAS) en de huidletsels (CADESI-04), periodieke hematologische en biochemische controles en monitoring van tekenen van intercurrente infecties (oppervlakkige pyodermie, otitis door Malassezia pachydermatis, dermatofytose) te omvatten. Het bijhouden van kennis over beschikbare therapeutische opties en de integratie van post-VHB-farmacovigilantiegegevens in de dagelijkse praktijk zijn professionele verantwoordelijkheden van de dermatoloog en de algemeen practicus.
De communicatie met de eigenaar dient te benadrukken dat CAD een chronisch karakter heeft, dat in de meeste gevallen een langdurige behandeling noodzakelijk is, en dat therapietrouw belangrijk is. De doseringsverenvoudiging geboden door NUMELVI (één dagelijkse inname, zonder inductiefase) is een voordeel voor de therapietrouw, een bepalende factor voor langdurig therapeutisch succes. De beslissing tot langdurige behandeling berust op een individuele en voortdurende baten-risicoafweging, rekening houdend met de klinische respons, de tolerantie, de leeftijd van het dier, de comorbiditeiten en de verwachtingen van de eigenaar.
Referenties
Cosgrove SB, Wren JA, Cleaver DM, Martin DD, Walsh KF, Harfst JA, Follis SL, King VL, Boucher JF, Stegemann MR. Efficacy of oclacitinib (Apoquel) compared with prednisolone for the control of pruritus and clinical signs associated with allergic dermatitis in client-owned dogs in Australia. Vet Dermatol. 2013;24(1):e15-e16.
Drechsler Y, Dong C, Clark DE, Kaur G. Canine Atopic Dermatitis: Prevalence, Impact, and Management Strategies. Vet Med (Auckl). 2024;15:15-29.
Dong Y, Wang L, Zhang K, Zhang H, Guo D. Prevalence and association with environmental factors and establishment of prediction model of atopic dermatitis in pet dogs in China. Front Vet Sci. 2024;11:1428805.
EMA. Numelvi, INN-Atinvicitinib — Summary of Product Characteristics. European Commission, Community Register. 2025. EU/2/25/351/001-016.
Forster S, Trout CM, Despa S, Boegel A, Berger D, King S. Efficacy and field safety of ilunocitinib for the control of atopic dermatitis in client-owned dogs: A multicentre, double-masked, randomised, placebo-controlled clinical trial. Vet Dermatol. 2025;36(5):e13344.
Forster S, Trout CM, Despa S, Boegel A, Berger D, King S. Efficacy and field safety of ilunocitinib for the control of allergic dermatitis in client-owned dogs: A multicenter, double-masked, randomised, placebo-controlled clinical trial. Vet Dermatol. 2025;36(6):825-837.
Gentry CM. Updates on the Pathogenesis of Canine and Feline Atopic Dermatitis: Part 1, History, Breed Prevalence, Genetics, Allergens, and the Environment. Vet Clin North Am Small Anim Pract. 2025;55(2):157-171.
Gonzales AJ, Bowman JW, Fici GJ, Zhang M, Mann DW, Mitton-Fry M. Oclacitinib (APOQUEL) is a novel Janus kinase inhibitor with activity against cytokines involved in allergy. J Vet Pharmacol Ther. 2014;37(4):317-324.
Hensel P. Update on the role of genetic factors, environmental factors and allergens in canine atopic dermatitis. Vet Dermatol. 2024;35(1):e13210.
Hillier A, Griffin CE. The ACVD task force on canine atopic dermatitis (I): incidence and prevalence. Vet Immunol Immunopathol. 2001;81(3-4):147-151.
Jirjis F, Domann V, Overbey L, Cao Q. The Second-Generation Janus Kinase 1 Selective Inhibitor Atinvicitinib: A Safe and Effective Once-Daily Treatment for Pruritus in Dogs with Allergic Dermatitis. Presented at 35th ECVD Congress, Bilbao, Spain. 2025.
Marsella R, Ahrens K, Garg A. Oclacitinib 10 years later: lessons learned and directions for the future. J Am Vet Med Assoc. 2023;261(S1):S1-S12.
MSD Animal Health. New data on NUMELVI (atinvicitinib) Tablets for Dogs presented at the 35th European Veterinary Dermatology Congress, Bilbao, Spain. Press release. September 12, 2025.
Nederveld SA, Adler KB, Broadhurst J, Chappell KH, Gonzales AJ. Safety of the Selective JAK1 Inhibitor Oclacitinib in Dogs. J Vet Pharmacol Ther. 2025;48(3):e13503.
Noli C, Matricoti I, Schievano C. Anti-Cytokine Drugs in the Treatment of Canine Atopic Dermatitis. Int J Mol Sci. 2025;26(22):10990.
Olivry T, DeBoer DJ, Favrot C, Jackson HA, Mueller RS, Nuttall T, Prélaud P. Treatment of canine atopic dermatitis: 2015 updated guidelines from the International Committee on Allergic Diseases of Animals (ICADA). BMC Vet Res. 2015;11:210.
Olivry T, Banovic F. Treatment of canine atopic dermatitis: time to revisit our strategy? Vet Dermatol. 2019;30(2):87-90.
Patterson C. Updates on JAK Inhibitors for Veterinary Dermatology. Today’s Veterinary Practice. 2025.
Santoro D, Marsella R, Pucheu-Haston CM, Eisenschenk MNC, Nuttall T, Bizikova P. Review: Pathogenesis of canine atopic dermatitis: skin barrier and host-micro-organism interaction. Vet Dermatol. 2015;26(2):84-e25.
Tarpataki N, Papa K, Reiczigel J, Vajdovich P, Vorosi K. Prevalence and features of canine atopic dermatitis in Hungary. Acta Vet Hung. 2006;54(3):353-366.
Wichtowska A, Olejnik M. Anti-cytokine drugs in the treatment of canine atopic dermatitis. Int J Mol Sci. 2025;26:10990.