Zenrelia (Ilunocitinib) bij de Hond: Monografie 2026

Share DermaVet Insights ;-)

De canine atopische dermatitis treft 10 tot 15% van de wereldwijde hondenpopulatie en is een van de meest voorkomende redenen voor consultatie in de veterinaire dermatologie. Als antwoord op dit probleem komen nieuwe behandelingen op de markt met een uitstekende baten-risicoverhouding. Een volledig overzicht van Zenrelia (ilunocitinib), de eerste van de nieuwe Janus Kinase-remmers die op de markt is gebracht na oclacitinib (Apoquel).

Inhoudstafel verbergen

DEEL I — INLEIDING EN CONTEXT

1.1 Canine atopische dermatitis: nosologisch kader

1.1.1 Definitie en pathofysiologie

Canine atopische dermatitis (CAD) is een chronische inflammatoire huidaandoening met een genetische aanleg, gekenmerkt door terugkerende jeuk en erythemateuze huidlesies die samenhangen met sensibilisatie voor omgevingsallergenen (Hensel 2015). De pathofysiologie van CAD berust op drie onderling verweven pijlers: een dysfunctie van de huidbarrière, immunologische dysregulatie en progressieve allergensensibilisatie. De epidermale barrière is aangetast door structurele afwijkingen van het stratum corneum, vergelijkbaar met die beschreven bij humane atopische dermatitis, waarbij mutatie van het filaggeprrinegen is gedocumenteerd. Bij de hond hebben studies afwijkingen in de expressie van intercelullaire verbindingseiwitten (claudinen, occludine) aangetoond in lesiebiopten van atopische honden (Marsella 2021). Deze barrièrestoornis bevordert de transcutane penetratie van allergenen en micro-organismen, waardoor chronische antigene stimulatie in stand wordt gehouden.

Immunologisch gezien wordt CAD gekenmerkt door een initiële Th2-polarisatie met overexpressie van de interleukines IL-4, IL-5, IL-13 en IL-31, gevolgd door een chronische fase waarin Th1-responsen (interferon-gamma, IFN-γ) en Th17-responsen naast elkaar bestaan (Pucheu-Haston 2015). IL-31, de belangrijkste pruritogene cytokine, bindt aan zijn heterodimere receptor (IL-31RA/OSMR), die tot expressie wordt gebracht op cutane sensorische neuronen, en activeert de JAK1/JAK2-STAT3-signaleringsroute, waardoor het jeuksignaal naar de hogere zenuwcentra wordt doorgegeven (Gonzales 2013). Significante verhogingen van circulerende concentraties van IL-31, IL-17 en totaal IgE zijn gedocumenteerd bij atopische honden in vergelijking met gezonde controles (Chaudhary 2019). Thymisch stromaal lymfopoëtine (TSLP) en substance P nemen deel aan de amplificatie van deze pruritogene cascade. De rol van het cutane microbioom, met proliferatie van Staphylococcus pseudintermedius op laesieplaatsen, is een gedocumenteerde verzwarende factor die de inflammatoire cyclus in stand houdt via activatie van Toll-like receptoren (TLR-2) op keratinocyten (Santoro 2015).

1.1.2 Epidemiologie en rassenprediposities

De prevalentie van CAD wordt geschat op 10 tot 15% van de wereldwijde hondenpopulatie, met regionale variaties die verband houden met milieucondities en fokpraktijken (Hillier 2001). Ongeveer 17 miljoen honden lijden in de Verenigde Staten aan allergische huidaandoeningen, waaronder CAD, voedselallergieën en vlooienallergiedermatitis (Drechsler 2024). CAD is een van de meest voorkomende redenen voor consultatie in de veterinaire dermatologie en vormt een aanzienlijke economische last voor eigenaren, met geschatte jaarlijkse behandelingskosten van 500 tot 2.000 euro per dier, afhankelijk van het land, het therapeutisch protocol en de ernst.

Verschillende rassen vertonen een goed gedocumenteerde genetische aanleg. De Labrador Retriever manifesteert een klinisch fenotype dat wordt gedomineerd door bilaterale en symmetrische erythemateuze jeuk van de interdigitale ruimten van voor- en achterpoten, oorschelpen en okselplooien, met recidiverende cerumineuze otitis externa en chronische pododermatitis. De West Highland White Terrier ontwikkelt een vroege en ernstige vorm van CAD, met een hoge prevalentie in bepaalde lijnen, gekenmerkt door intense faciale, perioculaire en perilabiale erytheem, gepaard gaand met snelle lichenificatie van de flexiezones (Favrot 2020). De Franse Bulldog vertoont klinische verschijnselen met een inguinaal, perineaal en interdigitaal tropisme, met een verhoogde frequentie van bacteriële en schimmelinfecties (Malassezia pachydermatis) waarvoor gelijktijdige anti-infectieuze behandelingen nodig zijn. De Golden Retriever, de Boxer, de Shar Pei en de Duitse Herder behoren tot de andere rassen met een hoog risico (Hensel 2015). De Shar Pei verdient bijzondere vermelding: de ernst van CAD bij dit ras hangt samen met overmatige dermale mucine, die de cutane thermoregulatie verstoort en maceratievorming in de plooien bevordert, waardoor een omgeving ontstaat die bevorderlijk is voor infecties. De Boxer vertoont een bijzonder klinisch profiel met een overheersende ventrale abdominale en inguinale aandoening, vroege lichenificatie en een neiging tot proliferatieve otitis. Er is bij de hond geen specifiek vatbaarheidsgeen voor CAD formeel geïdentificeerd, in tegenstelling tot de ichthyose bij de Golden Retriever (PNPLA1-mutatie).

zenrelia is bruikbaar bij deze atopische Jack Russell

De Jack Russell is een van de vele rassen die aanleg hebben voor canine atopische dermatitis

1.2 De beschikbare therapeutische opties vóór ilunocitinib

1.2.1 Glucocorticoïden

Systemische glucocorticoïden (prednisolon, methylprednisolon) waren lange tijd de eerstelijnsbehandeling van CAD vanwege hun snelle werking op jeuk en ontsteking. Prednisolon zorgt bij circa 70% van de honden binnen 48 uur voor een vermindering van de jeuk van meer dan 50% (Olivry 2015). Langdurig gebruik brengt echter goed gekarakteriseerde systemische bijwerkingen met zich mee: polyurie-polydipsie, polyfagie, gewichtstoename, huidatrofie, calcinose, iatrogeen diabetes mellitus, verhoogde vatbaarheid voor urineweginfecties en huidinfecties, en onderdrukking van de hypothalamus-hypofyse-bijnierschors-as.

1.2.2 Ciclosporine

Ciclosporine, een calcineurineremmer, is de eerste immunomodulerende molecule die een specifieke markttoelating heeft gekregen voor CAD. Bij een dosering van 5 mg/kg/dag per os vermindert het de jeuk met 50% bij circa 65% van de honden na 4 tot 6 weken behandeling (Steffan 2006). De lange werkingsduur (4 tot 6 weken om maximale effectiviteit te bereiken) en de frequentie van gastro-intestinale bijwerkingen (braken bij 25 tot 30% van de dieren bij aanvang van de behandeling) beperken de therapietrouw.

1.2.3 Oclacitinib

Oclacitinib (APOQUEL, Laboratoire Zoetis), de eerste JAK-remmer die in 2013 op de veterinaire markt werd gebracht, was een belangrijke therapeutische doorbraak. Deze preferentiële remmer van JAK1 en JAK3 remt de signalering van IL-31, IL-4 en IL-13, waardoor al 4 uur na toediening een snelle vermindering van jeuk optreedt (Gonzales 2014). De aanbevolen dosering is 0,4-0,6 mg/kg tweemaal daags gedurende 14 dagen (inductiefase), daarna eenmaal daags als onderhoudsbehandeling. De studie van Cosgrove et al. (Cosgrove 2015) documenteerde bevredigende werkzaamheid en verdraagzaamheid over 630 dagen aaneengesloten gebruik. De overgang van tweemaal daagse naar eenmaal daagse toediening in de onderhoudsfase brengt echter een rebound-fenomeen van jeuk met zich mee tussen dag 14 en dag 28, gedocumenteerd door Fukuyama et al. (2017) en Olivry et al. (2023).

1.2.4 Lokivetmab

Lokivetmab (CYTOPOINT, Laboratoire Zoetis), een gecaniniseerd anti-IL-31 monoklonaal antilichaam, vertegenwoordigt de eerste gerichte biotherapie in de veterinaire dermatologie. Het wordt subcutaan toegediend in een minimale dosis van 1 mg/kg tot 2 mg/kg elke 4 tot 8 weken. De initiële dosis-respons studie (Michels 2016) evalueerde doses van 0,125 tot 2 mg/kg. Het neutraliseert specifiek circulerend IL-31 en verlicht jeuk bij circa 70% van de behandelde honden (Michels 2016). De puur antiprurgineuze werking, zonder directe anti-inflammatoire activiteit op de huidletsels, en de noodzaak van maandelijkse injecties in de kliniek vormen de beperkingen. De combinatie lokivetmab-oclacitinib is in de literatuur beschreven voor refractaire gevallen.

1.3 Ontwikkelingsgeschiedenis en regelgevende registratie

1.3.1 Preklinische en regulatoire ontwikkeling

Ilunocitinib is ontwikkeld door Elanco Animal Health als nieuwe moleculaire entiteit uit de klasse van JAK-remmers, specifiek ontworpen voor veterinair gebruik bij de behandeling van jeuk geassocieerd met allergische dermatitis bij honden. Het hoofdoctrooi beschrijft de molecule als verbinding 27 uit een reeks azetidine- en cyclobutaanderivaten die actief zijn op Janus kinasen, met een verwachte vervaldatum in 2040 (octrooi US 11548895). Het klinische ontwikkelingsprogramma omvatte veiligheidsstudies op de doelsoort (Kuntz 2025), farmacokinetische studies (Boerngen 2026), drie klinische veldstudies (Forster 2025a, 2025b, 2025c) en twee vaccinatierespons-studies (Fent 2025a, Fent 2025b).

zenrelia

1.3.2 Marktvergunningen

De eerste marktvergunning werd op 19 september 2024 verleend door de Amerikaanse Food and Drug Administration (FDA) voor de beheersing van jeuk geassocieerd met allergische dermatitis en de beheersing van atopische dermatitis bij honden van ten minste 12 maanden oud. De commerciële lancering in de Verenigde Staten volgde onmiddellijk na deze goedkeuring. Vervolgens werd de vergunning uitgebreid naar Brazilië, Canada (december 2024) en Japan in de loop van het eerste semester van 2025. In Europa nam het Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik van het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) in juni 2025 een positief advies aan, en de Europese Commissie verleende de marktvergunning in juli 2025, met onmiddellijke commerciële lancering. In Nederland is het diergeneesmiddel ZENRELIA beschikbaar op diergeneeskundig recept vanaf het derde kwartaal van 2025. In september 2025 keurde de FDA een update van het Amerikaanse SPC goed, waarbij de vermelding van ‘fatale vaccin-geïnduceerde ziekte’ uit de etikettering werd verwijderd, op basis van aanvullende wetenschappelijke gegevens die aantonen dat de gevallen van adenovirale hepatitis die werden waargenomen tijdens de initiële vaccinatiestudie het gevolg waren van een natuurlijke infectie met CAV-1 en niet van vaccin-geïnduceerde ziekte (Fent 2025a). Meer dan 800.000 honden zijn wereldwijd behandeld sinds de lancering, volgens gegevens die Elanco eind 2025 heeft meegedeeld.

DEEL II — CHEMIE EN MOLECULAIRE STRUCTUUR

2.1 Chemische identiteit en fysicochemische eigenschappen

2.1.1 Moleculaire structuur

De internationale niet-merknaam van de molecule is ilunocitinib. De merknaam is Zenrelia (Elanco). De bruto molecuulformule is C₁₇H₁₇N₇O₂S, corresponderend met een exacte molaire massa van 383,12 Da en een moleculair gewicht van 383,43 g/mol. Ilunocitinib behoort tot de familie van pyrrolopyrimidinen met functionele azetidine- en sulfonamidegroepen, structureel onderscheiden van oclacitinib, eveneens een pyrrolopyrimidine maar met een trans-gesubstitueerde cyclohexylamine-groep en een N-gemethyleerde methaansulfonamide. Ilunocitinib deelt met baricitinib een gemeenschappelijk werkingsmechanisme (competitieve remming van de ATP-bindingsplaats van JAK) en een gedeeltelijk overlappend isovorm-selectiviteitsprofiel (JAK1/JAK2), maar behoort tot een structureel onderscheiden chemische familie (Clark 2014). De driedimensionale configuratie van ilunocitinib verleent het een bezetting van de ATP-afhankelijke katalytische bindingsplaats van JAK1-, JAK2- en TYK2-kinasen, met differentiële affiniteit per isovorm.

2.1.2 Fysicochemische eigenschappen

Ilunocitinib heeft een lage wateroplosbaarheid, een beperkende factor voor absorptie bij hoge dosis, en een matige tot hoge permeabiliteit in het Caco-2-celmodel, met schijnbare permeabiliteitswaarden (Papp) tussen 6,74 × 10⁻⁶ en 17,45 × 10⁻⁶ cm/s (Boerngen 2026). Dit kenmerk plaatst de molecule in het Biofarmaceutisch Classificatiesysteem (BCS) klasse II of IV, afhankelijk van de experimentele omstandigheden. Ilunocitinib is een substraat van gastro-intestinale efflux-transporters, met functionele homologie met P-glycoproteïne (P-gp), een eigenschap die wordt gedeeld met baricitinib en tofacitinib in de humane geneeskunde (Spinelli 2021).

2.2 Farmaceutische formulering

2.2.1 Filmomhulde tabletten en doseringen

De filmomhulde tabletten van Zenrelia zijn verkrijgbaar in vier doseringen: 4,8 mg, 6,4 mg, 8,5 mg en 15 mg ilunocitinib. Elke tablet is breekbaar, zodat meerdere tabletten gecombineerd kunnen worden om de dosis aan te passen aan het lichaamsgewicht van het dier. De ilunocitinib-tabletten zijn verpakt in blisterverpakkingen van 10 en 30 eenheden en in flacons van 90 eenheden. De hypoallergene, niet-gearomatiseerde formulering maakt toediening met of zonder voedsel mogelijk, zonder significant effect op de werkzaamheid onder echte klinische omstandigheden (Boerngen 2026).

DEEL III — WERKINGSMECHANISME EN FARMACODYNAMIEK

3.1 De JAK-STAT-signaalroute: fundamentele achtergrond

3.1.1 Architectuur van de signaaltransductiecascade

De JAK-STAT-signaleringsroute (Janus Kinase – Signal Transducer and Activator of Transcription) is een van de meest geconserveerde mechanismen van cytokinische signaaltransductie in de evolutie van meercelligen. Deze route verzorgt de overdracht van signalen van membraangebonden cytokinereceptoren van type I en II naar de celkern, waar ze de transcriptie reguleert van genen die betrokken zijn bij immuniteit, ontsteking, hematopoëse en celproliferatie (O’Shea 2015). De JAK-kinasefamilie omvat vier leden: JAK1, JAK2, JAK3 en TYK2 (tyrosinekinase 2). Elke JAK-kinase bestaat uit zeven homologiedomeinen (JH1 tot JH7), waarbij domein JH1 de tyrosinekinase-catalytische activiteit draagt en domein JH2 een regulerende pseudokinasefunctie uitoefent. De STAT-transcriptiefactorfamilie omvat zeven leden (STAT1 tot STAT4, STAT5a, STAT5b, STAT6).

Het transductiemechanisme volgt een geordende reeks: de binding van de cytokine aan zijn membraanreceptor induceert dimeerisatie van de receptor, wat leidt tot het samenkomen en de trans-fosforylering van de JAK-kinasen die geassocieerd zijn met het intracytoplasmatische gedeelte van de receptor. De geactiveerde JAK-kinasen fosforyleren vervolgens tyrosineresiduen van de receptor, waardoor ankerpunten worden gecreëerd voor STAT-eiwitten. De gerekruteerde STAT-factoren worden op hun beurt gefosforyleerd door de JAK-kinasen, vormen dimeren en translokateren naar de kern waar ze zich binden aan specifieke responsieve elementen op het genomisch DNA, waardoor de transcriptie van doelgenen wordt geactiveerd of onderdrukt (Spinelli 2021). De farmacologische remming van deze cascade door JAK-remmers (JAKi) blokkeert gelijktijdig de signalering van meerdere cytokinen die dezelfde JAK-paren delen, hetgeen zowel de therapeutische werkzaamheid als het bijwerkingsprofiel van deze geneesmiddelenklasse verklaart.

3.2 Selectiviteit van ilunocitinib voor JAK-subtypen

3.2.1 Isovorm-selectiviteitsprofiel

Ilunocitinib wordt gekwalificeerd als een ‘niet-selectieve’ JAK-remmer, met een selectiviteitsprofiel gekenmerkt door een hoge in vitro remmingspotentie van JAK1, JAK2 en TYK2, en een geringere activiteit op JAK3 (Forster 2025c). Deze selectiviteit onderscheidt het van oclacitinib, dat preferentieel werkt op JAK1 en JAK3 (Gonzales 2014). De remming van JAK1 is het gemeenschappelijke mechanisme van beide moleculen, verantwoordelijk voor het blokkeren van de signalering van IL-4 (via het JAK1/JAK3-complex), IL-13 (via JAK1/TYK2 of JAK1/JAK2) en IL-31 (via JAK1/JAK2). De remming van JAK2 door ilunocitinib impliceert een potentiële impact op de erytropoëtineRoute (EPO/JAK2/STAT5), wat de dosisafhankelijke hematologische veranderingen verklaart die werden waargenomen in de veiligheidsstudie (Kuntz 2025). De remming van TYK2 blokkeert de signalering door IL-12 en IL-23 (TYK2/JAK2-STAT4-route), die betrokken zijn bij Th1/Th17-polarisatie, wat een aanvullende anti-inflammatoire dimensie toevoegt. De minimale impact op andere eiwitkinasen en lipidenkinasen beperkt het risico op off-target effecten (Choy 2019, Bonelli 2024). De in vitro enzymatische selectiviteitsgegevens voorspellen echter niet rechtstreeks de klinische werkzaamheid en verdraagzaamheid van atopische dermatitis behandeld met JAKi, zoals Virtanen et al. (Virtanen 2023) hebben herinnerd in hun vergelijkende analyse van isovorm-selectiviteitsprofielen van JAKi in de humane reumatologie. Vergelijkende klinische studies blijven de referentiestandaard voor vergelijking tussen moleculen.

3.3 Beoogde cytokinen

3.3.1 Spectrum van cytokinenremming

De remming van de JAK1-, JAK2- en TYK2-kinasen door ilunocitinib blokkeert de signalering van een breed spectrum van cytokinen die betrokken zijn bij de pathogenese van CAD. Onder de direct geremd pruritogene cytokinen bevinden zich IL-31 (de belangrijkste mediator van canine atopische jeuk, werkend via het IL-31RA/OSMR-receptorcomplex en het JAK1/JAK2-paar), TSLP (thymisch stromaal lymfopoëtine, een epitheliaal alarmsignaalcytokine dat de JAK1/JAK2-STAT5-route activeert) en, indirect, substance P waarvan de neuronale expressie wordt gemoduleerd door IL-31-afhankelijke signalen (Datsi 2021). Op neuroanatomisch vlak geeft het IL-31RA/OSMR-receptorcomplex dat tot expressie wordt gebracht op cutane sensorische neuronen het pruritogene signaal van IL-31 door naar de dorsale wortelganglia, waar de overdracht plaatsvindt naar de spinothalamische oplopende banen die leiden tot de centrale waarneming van jeuk (Nemmer 2021). Deze anatomische precisie verklaart de snelle werking van JAKi op jeuk: de remming van JAK1/JAK2-fosforylering op het niveau van het perifere sensorische neuron onderbreekt de signaleringsroute stroomopwaarts van de eerste synaptische schakel.

De pro-inflammatoire cytokinen waarvan de signalering wordt geremd, omvatten IL-4 (JAK1/JAK3 en JAK1/JAK2), IL-5 (JAK2-STAT3/5, betrokken bij eosinofilie), IL-13 (JAK1/JAK2/TYK2-STAT6, mediator van bekercelhyperplasie en IgE-productie) en IFN-γ (JAK1/JAK2-STAT1). IL-33, een alarmsignaalcytokine dat wordt vrijgegeven door beschadigde keratinocyten, signaleert voornamelijk via het ST2/IL-1RAcP-complex en de MyD88/IRAK/NF-κB-route, waardoor residerende cutane mastcellen worden geactiveerd (Di Salvo 2018). Hoewel sommige experimentele gegevens hebben gesuggereerd dat JAK2/STAT5 wordt gefosforyleerd in mastocytaire modellen, wordt IL-33-signalering niet beschouwd als JAK-afhankelijk in de canonieke betekenis, en de impact van JAK-remming op door IL-33 geïnduceerde mastcelactivatie moet nog worden aangetoond.

De uitgesproken remming van JAK2 door ilunocitinib belemmert de signalering van de granulocyten-macrofagen koloniestimulerende factor (GM-CSF), een JAK2-afhankelijk cytokine dat betrokken is bij de rijping, overleving en activering van dendritische cellen en weefselmacrofagen (Huang 2022). Deze remming van de GM-CSF/JAK2-as draagt bij aan de anti-inflammatoire werkzaamheid van de molecule, maar rechtvaardigt bewaking van de myeloïde cellijn bij langdurige behandelingen. Bovendien blokkeert de impact van ilunocitinib op TYK2 de signalering door type I interferonen (IFN-α/IFN-β), en niet alleen die van IFN-γ (type II). Type I interferonen, die signaleren via het TYK2/JAK1-STAT1/STAT2-paar, vormen de eerste linie van aangeboren antivirale verdediging. De remming van deze route door ilunocitinib verklaart mechanistisch de toename van vatbaarheid voor virale infecties (canine adenovirose) die is waargenomen in de geneesmiddelenbewaking, buiten de adaptieve immunosuppressie om (Spinelli 2021).

De matige remming van JAK3 door ilunocitinib (IC₅₀ = 16 nM, aanzienlijk lager dan de remmingspotentie van JAK1 en JAK2) bewaart gedeeltelijk de adaptieve immuniteit die afhankelijk is van de gemeenschappelijke gammaketaan (γc). De γc-keten is het gedeelde component van de receptoren voor IL-2, IL-7, IL-15 en IL-21, cytokinen die essentieel zijn voor de proliferatie en overleving van Natural Killer (NK)-cellen en geheugen-T-lymfocyten (Bonelli 2024). Dit gedeeltelijke behoud van JAK3/γc-signalering onderscheidt ilunocitinib van het humane tofacitinib (een krachtige JAK3-remmer) en draagt bij aan het behoud van antitumorale en antivirale immunosurveillance bij de therapeutische dosis. De bijkomende remming van IL-12, type I interferonen en IFN-γ, hoewel het diepe laesiebleking produceert, genereert een relatieve immunosuppressie die inherent is aan het werkingsmechanisme ten aanzien van de verdedigingscytokinen van de gastheer, die moet worden afgewogen tegen het klinische voordeel (Huang 2022). Het blokkeren van de IL-4/IL-13/STAT6-route zou theoretisch kunnen bijdragen aan de vermindering van de productie van totale en specifieke IgE door B-lymfocyten, hoewel deze hypothese nog niet formeel is aangetoond in tot nu toe gepubliceerde veterinaire klinische studies.

3.4 Farmacodynamische vergelijking met andere veterinaire JAKi

3.4.1 Vergelijkende positionering

Ilunocitinib (Zenrelia), oclacitinib (Apoquel) en atinvicitinib vertegenwoordigen drie JAK-remmers met onderscheiden farmacodynamische profielen. Ilunocitinib remt voornamelijk JAK1, JAK2 en TYK2; oclacitinib richt zich preferentieel op JAK1 en JAK2 (maar met een geringe functionele impact op JAK2-afhankelijke routes (erytropoëtine)) en atinvicitinib is een tweedegeneratie selectieve JAK1-remmer (Bonelli 2024). Qua dosering heeft ilunocitinib het voordeel van eenmalige dagelijkse toediening zonder oplaaddosis, in tegenstelling tot tweemaal daagse toediening gedurende 14 dagen gevolgd door eenmaal daagse toediening voor oclacitinib. Dit posologische verschil elimineert het risico op rebound van jeuk bij de overgang naar de onderhoudsdosis, een fenomeen dat is gedocumenteerd bij oclacitinib (Olivry 2023, Fukuyama 2017). De remming van JAK2 door ilunocitinib, afwezig in het profiel van oclacitinib, zou de hematologische veranderingen kunnen verklaren die bij hoge doses worden waargenomen, maar verleent een breder anti-inflammatoir spectrum dat de IFN-γ-route omvat (Bonelli 2024).

DEEL IV — FARMACOKINETIEK

4.1 Absorptie

4.1.1 Biologische beschikbaarheid en voedseleffect

Na orale toediening wordt ilunocitinib snel geabsorbeerd, met een mediane tijd om de maximale plasmaconcentratie te bereiken (Tmax) van 1 tot 4 uur, afhankelijk van de nuchtere toestand (Boerngen 2026). Het effect van voedsel op de biologische beschikbaarheid is uitgebreid gekarakteriseerd. De absolute biologische beschikbaarheid bedraagt 79,6% (90% BI: 67,6-93,6%) met een maaltijd versus 60,8% (90% BI: 51,6-71,5%) nuchter. De gemiddelde maximale concentraties (Cmax) bij een dosis van 0,8 mg/kg bedragen 268 ng/mL (met een maaltijd) versus 122 ng/mL (nuchter). Ondanks dit significante voedseleffect onder laboratoriumomstandigheden bij enkelvoudige dosering, werd de afwezigheid van klinisch significante farmacokinetische verschillen bevestigd in de drie veldstudies, waarbij eigenaren het diergeneesmiddel met of zonder maaltijd toedienden naar eigen keuze (Forster 2025a, 2025b, 2025c). Deze discrepantie tussen laboratoriumgegevens en veldgegevens wordt toegeschreven aan de afname van het voedseleffect bij herhaalde toediening.

4.2 Distributie

4.2.1 Distributieparameters

Na intraveneuze toediening vertoont ilunocitinib een plasmaklaring van 0,437 L/u/kg (7,3 mL/min/kg) en een evenwichtsverdelingsvolume (Vss) van 1,58 L/kg (Boerngen 2026). Een Vss groter dan 1 L/kg duidt op een brede weefselverspreiding, die het plasmacompartiment en het totale lichaamswater overschrijdt. Weefselverdelingsstudies hebben een sterke accumulatie aangetoond in de gal, lever en nieren, organen die betrokken zijn bij het metabolisme en de eliminatie van de molecule. De penetratie door de bloed-hersenbarrière is gering, wat consistent is met de afwezigheid van neurologische effecten die werden waargenomen in de 6 maanden durende veiligheidsstudie (Kuntz 2025).

4.3 Metabolisme en eliminatie

4.3.1 Eliminatieroutes en halfwaardetijd

De eliminatie van ilunocitinib verloopt via een dubbele route: ongeveer 50% van de toegediende dosis wordt geëlimineerd via de biliaire en fecale weg, en ongeveer 30% via de urinaire weg, wat neerkomt op een terugwinningspercentage van ongeveer 80% na 48 uur (Boerngen 2026). De terminale eliminatiehalfwaardetijd bedraagt 4,4 uur na intraveneuze toediening en ongeveer 5 uur na orale toediening. Deze relatief korte halfwaardetijd is compatibel met eenmalige dagelijkse toediening en verklaart de afwezigheid van klinisch significante accumulatie bij herhaalde toediening: de gemiddelde accumulatieverhouding over de AUC (oppervlakte onder de curve) bij meervoudige dosering bedraagt ongeveer 1,26 (Boerngen 2026). De 6 maanden durende veiligheidsstudie bevestigde AUC-accumulatieverhoudingen van 1,2 tot 1,6 afhankelijk van de dosisgroep, zonder verschil tussen mannetjes en vrouwtjes (Kuntz 2025).

4.4 Proportionaliteit met de dosis

4.4.1 Lineariteit van de blootstelling

De toename van de systemische blootstelling (AUC en Cmax) is lineair maar niet proportioneel aan de dosis over het posologische interval van 0,4 tot 4,0 mg/kg, met een statistisch significant interceptpunt in de regressieanalyse (Boerngen 2026). Dit fenomeen wordt toegeschreven aan een absorptiebeperking door oplosbaarheid bij hoge intraluminale concentratie, wat consistent is met de fysicochemische eigenschappen van de molecule (lage wateroplosbaarheid). Deze niet-proportionaliteit werd bevestigd in de meervoudige dosis veiligheidsstudie (Kuntz 2025), waarbij de blootstelling bij een dosis van 4,0 mg/kg (5X) lager was dan vijf keer de blootstelling bij de therapeutische dosis.

4.5 Farmacokinetiek onder echte klinische omstandigheden

4.5.1 Veldgegevens

De farmacokinetische gegevens verzameld in de drie klinische veldstudies (placebogecontroleerde studies en vergelijkende studie met oclacitinib) bevestigen de afwezigheid van klinisch significant verschil gerelateerd aan de voedingstoestand onder echte gebruiksomstandigheden (Forster 2025a, 2025b, 2025c). De consistente werkzaamheid die werd waargenomen ongeacht de toediening met of zonder voedsel vormt een praktisch voordeel voor de therapietrouw van eigenaren, met name bij langdurige behandelingen bij atopische honden.

DEEL V — INDICATIES EN DOSERING

5.1 Toegestane indicaties

5.1.1 Kader van de handelsvergunning

Zenrelia (ilunocitinib-tabletten) is geïndiceerd voor de beheersing van jeuk geassocieerd met allergische dermatitis en de beheersing van atopische dermatitis bij honden van ten minste 12 maanden oud. De indicatie omvat jeuk geassocieerd met allergische dermatitis in brede zin, inclusief atopische dermatitis (sensibilisatie voor aeroallergenen), vlooienallergiedermatitis (FAD) en voedselovergevoeligheid met een pruriteuze component, wat er een veelzijdige behandeling van maakt voor canine allergische dermatitis. Het onderscheid tussen CAD en allergische dermatitis is gedocumenteerd in afzonderlijke klinische studies (Forster 2025a voor allergische dermatitis, Forster 2025b voor CAD).

5.2 Dosering en wijze van toediening

5.2.1 Posologisch schema

De aanbevolen therapeutische dosis is 0,6 tot 0,8 mg/kg ilunocitinib in één dagelijkse orale toediening, met of zonder voedsel. De berekening van de individuele dosis geschiedt door combinatie van de vier beschikbare tabletsterkten (4,8; 6,4; 8,5; 15 mg) op basis van het gewicht van het dier. Er is geen oplaaddosis vereist: de behandeling begint direct met de definitieve dagelijkse dosis, wat het posologische schema vereenvoudigt ten opzichte van oclacitinib. Er is geen maximale behandelingsduur gespecificeerd in het SPC, gezien de afwezigheid van klinisch significante accumulatie en de verdraagzaamheid die gedocumenteerd is over 112 dagen in de klinische studies en 182 dagen in de veiligheidsstudie.

5.3 Aanvang en duur van de werking

5.3.1 Kinetiek van de therapeutische respons

Het antipruritische effect van ilunocitinib is detecteerbaar binnen de eerste 24 uur en wordt statistisch significant vanaf dag 3: in de studie over allergische dermatitis vertoonde 29% van de behandelde honden al op de derde behandelingsdag een vermindering van jeuk van 50% of meer (PVAS) (Forster 2025a). Op dag 7 was het therapeutische succespercentage (vermindering ≥ 50% van PVAS) 25,4% in de ilunocitinibgroep versus 7,7% in de placebogroep (p = 0,006). De werkzaamheid op huidletsels, beoordeeld via de CADESI-04-score (Olivry 2014), wordt significant vanaf dag 14. Op dag 28 bereikte 83% van de behandelde honden het therapeutische succescriterium versus 31% onder placebo (p < 0,001) in de Europese pivotstudie over CAD (Forster 2025b). Klinische remissie, gedefinieerd als een PVAS-score lager dan 2 (overeenkomend met een ‘normaal’ jeukniveau) of een CADESI-04-score lager dan 10, werd bereikt bij twee derde van de honden na 4 maanden behandeling (Forster 2025b).

DEEL VI — KLINISCHE WERKZAAMHEIDSSTUDIES

6.1 Placebogecontroleerde pivotstudie (Europa/VS)

6.1.1 Protocol en resultaten

De pivotstudie gepubliceerd door Forster, Trout, Despa et al. in Veterinary Dermatology (2025) evalueerde de werkzaamheid en veiligheid van ilunocitinib bij de beheersing van canine atopische dermatitis. Het protocol betrof een gerandomiseerde, dubbelblinde, placebogecontroleerde studie in 25 veterinaire klinieken in Groot-Brittannië en Duitsland. Tweehonderdachtenzestig honden met bevestigde CAD werden geïncludeerd: 181 in de ilunocitinibgroep (0,6-0,8 mg/kg/dag) en 87 in de placebogroep, voor een duur van 112 dagen (Forster 2025b). De meest vertegenwoordigde rassen waren de Labrador Retriever, de Franse Bulldog, de West Highland White Terrier en de Golden Retriever (5,6%). De leeftijd van de geïncludeerde honden varieerde van 1,0 tot 17,3 jaar.

Het primaire beoordelingscriterium was het therapeutische succespercentage op dag 28, gedefinieerd als een vermindering van 50% of meer van de PVAS-score (jeuk beoordeeld door de eigenaar) of de CADESI-04-score (huidletsels beoordeeld door de onderzoeker). De resultaten toonden statistisch significante superioriteit van ilunocitinib ten opzichte van placebo op alle evaluatietijdpunten. Op dag 28 bereikte 83% van de honden in de ilunocitinibgroep het succescriterium op PVAS versus 31% in de placebogroep (p < 0,001) (Forster 2025b). Het aandeel honden dat klinische remissie van jeuk bereikte (PVAS < 2) was significant hoger in de ilunocitinibgroep vanaf dag 7 (p < 0,05), en remissie van huidletsels (CADESI-04 < 10) vanaf dag 14 (p < 0,05). Geen enkele hond in de placebogroep had de CADESI-04-drempel < 10 bereikt op dag 28. Het cumulatieve aandeel honden dat de studie verliet wegens waargenomen ineffectiviteit was significant hoger in de placebogroep. De behandeling van 112 dagen werd goed verdragen.

6.2 Vergelijkende studie ilunocitinib vs oclacitinib

6.2.1 Vergelijkende resultaten

De vergelijkende studie gepubliceerd door Forster, Boegel, Despa et al. in Veterinary Dermatology (2025) evalueerde de werkzaamheid en veiligheid van ilunocitinib in directe vergelijking met oclacitinib bij honden met CAD. De studie was gerandomiseerd, geblindeerd, uitgevoerd in 25 centra in vier Europese landen. Driehonderdachtendertig honden werden gerandomiseerd om ofwel oclacitinib (0,4-0,6 mg/kg tweemaal daags gedurende 14 dagen, daarna eenmaal daags) ofwel ilunocitinib (0,6-0,8 mg/kg eenmaal daags) te ontvangen, voor een maximale duur van 112 dagen (Forster 2025c). De vermindering van jeuk (PVAS) en de CADESI-04-scores was vergelijkbaar tussen de twee groepen gedurende de eerste 14 behandelingsdagen (dag 0-dag 14), de periode die overeenkomt met de tweemaal daagse fase van oclacitinib. Tussen dag 14 en dag 28 stegen de PVAS-scores echter in de oclacitinibgroep (rebound-fenomeen bij de overgang naar de onderhoudsdosis), terwijl ze in de ilunocitinibgroep bleven dalen. Van dag 28 tot dag 112 waren de gemiddelde PVAS- en CADESI-04-scores significant lager in de ilunocitinibgroep (p ≤ 0,003 respectievelijk p ≤ 0,023). Een significant hoger aantal met ilunocitinib behandelde honden bereikte klinische remissie van jeuk (PVAS < 2) van dag 28 tot dag 112. De subjectieve globale beoordeling van de therapeutische respons door de onderzoekers was significant beter voor ilunocitinib van dag 28 tot dag 112 (p ≤ 0,002). De verdraagzaamheidsprofielen waren vergelijkbaar tussen de twee groepen (Forster 2025c).

6.3 Studies over allergische dermatitis (niet-atopisch)

6.3.1 Placebogecontroleerde studie VS

De gerandomiseerde, dubbelblinde, placebogecontroleerde studie gepubliceerd door Forster, Trout, Despa et al. in Veterinary Dermatology (2025) evalueerde ilunocitinib bij 306 honden met ernstige jeuk en een vermoedelijke diagnose van allergische dermatitis, gerekruteerd in 15 veterinaire klinieken in de Verenigde Staten (Forster 2025a). De honden werden gerandomiseerd om ilunocitinib (n = 206; 0,6-0,8 mg/kg) of placebo (n = 100) eenmaal daags te ontvangen gedurende 28 dagen, met een veiligheidsbewaking over 112 dagen. Meer dan 90% van de honden in elke groep had een vermoedelijke diagnose van CAD, met gelijktijdige diagnoses waaronder contactdermatitis (23,3%), vlooienallergiedermatitis (15,5%) en voedselovergevoeligheid (24,3%). Het primaire criterium was het therapeutische succespercentage op dag 7, gedefinieerd als een vermindering ≥ 50% van PVAS gedurende ten minste 5 van de eerste 7 dagen. Op dag 7 bereikte 25,4% van de met ilunocitinib behandelde honden dit criterium versus 7,7% onder placebo (p = 0,006). Vanaf dag 3 was het aandeel honden met een vermindering ≥ 50% van PVAS significant hoger in de ilunocitinibgroep (p < 0,01). Op dag 28 bereikte 51,8% van de behandelde honden klinische remissie (PVAS < 2) versus 12,7% onder placebo (p < 0,05). De verschijnselen van dermatitis verbeterden al op dag 7. De behandeling van 112 dagen werd goed verdragen (Forster 2025a).

DEEL VII — VEILIGHEIDSGEGEVENS

7.1 Veiligheidsstudie op de doelsoort (6 maanden)

7.1.1 Protocol

De veiligheidsstudie gepubliceerd door Kuntz, Gabor en Toutain in BMC Veterinary Research (2025) vormt de hoeksteen van het veiligheidsdossier van ilunocitinib. Het protocol, uitgevoerd conform de VICH GL43-aanbevelingen, betrof een gerandomiseerde, geblindeerde, parallelle groepsstudie, met 40 gezonde Beagles (20 mannetjes en 20 vrouwtjes), in de leeftijd van 11 tot 12 maanden, met een gemiddeld gewicht van 9,85 tot 10,46 kg (Kuntz 2025). De dieren werden verdeeld in een onbehandelde controlegroep en vier groepen die ilunocitinib kregen toegediend in dagelijkse doses van 0,8 mg/kg (1X, maximale aanbevolen therapeutische dosis), 1,6 mg/kg (2X), 2,4 mg/kg (3X) en 4,0 mg/kg (5X) gedurende 182 dagen. Alle dieren werden gevoerd binnen de 30 minuten voor de toediening. De veiligheidsbeoordelingen omvatten algemene klinische waarnemingen, volledige lichamelijke en neurologische onderzoeken (elke twee weken), oogonderzoeken, hematologie, serum biochemie, stolling, immunofenotypering van perifere lymfocyten, lichaamsgewicht, voedselinname, farmacokinetische monsters en macroscopische en histopathologische orgaanonderzoeken aan het einde van de studie.

7.1.2 Resultaten

Op de therapeutische dosis (1X = 0,8 mg/kg) werden geen klinisch significante bijwerkingen gerapporteerd. Er werden geen behandelingseffecten waargenomen op lichaamsgewicht, voedselinname, lichamelijke en neurologische onderzoeken, urineanalyse, immunofenotype van perifere lymfocyten (totale CD5+ T-cellen, CD4+ Th, CD8+ Tc, CD21+ B, monocyten) noch oogonderzoeken (Kuntz 2025). Bij hogere doses traden interdigitale huidletsels op (furunculose, interdigitale folliculaire cysten) op een dosisafhankelijke wijze, vaker bij doses ≥ 3X, met evolutie naar spontane resolutie of na standaard antimicrobiële behandeling. Een lichte afname van erytrocytaire parameters (hemoglobine, hematocriet, telling van rode bloedcellen, MCHC, MCH) werd waargenomen bij doses ≥ 3X, waarbij de waarden binnen de referentielimieten bleven bij het 1X-niveau. Een afname van eosinofielen werd opgemerkt bij vrouwtjes bij doses ≥ 3X (p = 0,0050). Een verhoging van fibrinogeen en C-reactief proteïne bij doses ≥ 3X (p < 0,0001 voor fibrinogeen) werd geïnterpreteerd als een acute-faserespons secundair aan de interdigitale huidletsels. Huidpapillomen werden waargenomen bij 2 honden op de 5X-dosis, met verwachte spontane resolutie. Een lichte modificatie van het bijnierschorsgewicht werd opgemerkt zonder histopathologische correlatie. Er werden geen lever-, nier-, oog- of neurologische effecten gedocumenteerd. Er deed zich geen sterfte voor en er traden geen ernstige bijwerkingen op gedurende de 182 dagen durende studie, ook niet bij 5X de maximale aanbevolen dosis, en alle behandelde dieren voltooiden de geplande studieduur (Kuntz 2025).

7.2 Veiligheid in klinische veldstudies

7.2.1 Compilatie van verdraagzaamheidsgegevens

De verdraagzaamheidsgegevens verzameld uit de drie klinische studies (Forster 2025a, 2025b, 2025c) hebben betrekking op meer dan 500 honden behandeld met ilunocitinib onder echte omstandigheden. De meest gemelde bijwerkingen waren gastro-intestinale klachten en lethargie. De gegevens uit het FDA-registratiedossier specificeren de specifieke incidenties in de veldstudies: diarree bij 12,2% en urineweginfecties bij 6,3% (FDA 2024). De totale incidentie van gastro-intestinale bijwerkingen in de studie over allergische dermatitis (Forster 2025a) was vergelijkbaar tussen de behandelde groep en de placebogroep op dag 28: 47,6% versus 49,0%, waarmee werd aangetoond dat ilunocitinib de incidentie van gastro-intestinale aandoeningen niet verhoogt ten opzichte van placebo. Neoplastische aandoeningen (goedaardig en kwaadaardig) werden waargenomen tijdens de klinische studies, wat leidde tot de aanbeveling van bewaking bij honden met een voorgeschiedenis van recidiverende neoplasie. De pivotstudie over CAD rapporteerde een lichte stijging van albumine in de ilunocitinibgroep op tijdpunten dag 56, dag 84 en dag 112, zonder vastgestelde klinische betekenis (Forster 2025b). Een geïsoleerd geval van cyclische neutropenie werd vastgesteld bij een behandelde hond, als niet-behandelingsgerelateerd beschouwd. Het bloedplaatjesaantal bleef binnen de referentielimieten in alle studies (Forster 2025b, Kuntz 2025). In de vergelijkende studie met oclacitinib waren de percentages bijwerkingen vergelijkbaar tussen de twee groepen, wat een vergelijkbaar verdraagzaamheidsprofiel bevestigt (Forster 2025c).

7.3 Post-marketinggegevens

7.3.1 Internationale geneesmiddelenbewaking

Sinds de commerciële lancering in Brazilië (eerste markt), gevolgd door de Verenigde Staten, Japan, Canada en Europa, zijn meer dan 800.000 honden behandeld met Zenrelia per september 2025, volgens gegevens meegedeeld door Elanco. De post-AMM geneesmiddelenbewaking heeft geleid tot de identificatie van signalen betreffende vatbaarheid voor infecties (adenovirale hepatitis, pancreatitis) en een risico op inadequate vaccinatoire immuunrespons, opgenomen in de waarschuwingen van het SPC. In september 2025 toonde retrospecitef PCR-onderzoek van leverweefsel van de twee geëuthanaseerde honden in de initiële vaccinatiestudie de aanwezigheid van CAV-1 (canine adenovirus type 1, verwekker van infectieuze canine hepatitis bij natuurlijke infectie) aan, wat suggereert dat een natuurlijke epizootie, en niet vaccin-geïnduceerde ziekte, verantwoordelijk was voor de klinische achteruitgang van deze dieren (Fent 2025a). De FDA concludeerde dat het totaal aan bewijsmateriaal de verwijdering van het risico van fatale door levend verzwakte vaccins geïnduceerde ziekte uit de etikettering ondersteunde.

DEEL VIII — CONTRA-INDICATIES EN VOORZORGSMAATREGELEN

8.1 Absolute contra-indicaties

8.1.1 Uitsluitingssituaties

Ilunocitinib mag niet worden gebruikt bij honden jonger dan 12 maanden, bij honden met ernstige infecties, noch bij honden met bewezen kwaadaardige neoplasie, demodicose of immunosuppressie (bijv. hyperadrenocorticisme), situaties waarin de molecule niet is geëvalueerd. De afwezigheid van gegevens bij fokdieren, drachtige of zogende teven vormt een relatieve contra-indicatie. De toegang tot de behandeling is dan ook voorbehouden aan volwassen honden in goede algemene gezondheid, met actuele vaccinaties.

8.2 Vaccinatiewaarschuwing

8.2.1 Studies naar vaccinatierespons

Het effect van toediening van ilunocitinib op vaccinatie tegen canine parvovirus (CPV), hondenziektevirus (CDV), canine adenovirus-2 (CAV-2), canine para-influenza (CPiV) en geïnactiveerd hondsdollheidsvaccin (RV) werd onderzocht in twee afzonderlijke protocollen. De primovaccinatiestudie (Fent 2025a) werd uitgevoerd bij 10 maanden oude Beagles, seronegatief en vaccinatieniaïef, die 2,4 mg/kg (3X de maximale aanbevolen dosis) ontvingen gedurende 89 dagen. Tijdens deze studie deden zich een epizootie van coccidiose (Cystoisospora canis) en een bevestigd geval van infectieuze canine hepatitis (CAV-1) voor, wat de interpretatie van de resultaten vertroebelde. Twee behandelde honden werden geëuthanaseerd wegens verslechtering van hun algemene toestand. Op basis van de beoordeling van serologische antilichaamtiters werd een adequate immuunrespons op gangbare levend verzwakte canine vaccins (CAV-2, CDV en CPV) waargenomen na primovaccinatie op dag 28. De respons op primovaccinatie met CPiV (niet-essentieel vaccin) bij behandelde dieren was 4 van de 6 boven de drempelwaarde versus 6 van de 8 boven de drempelwaarde voor controle-dieren. Een vertraagde of verminderde respons op RV werd waargenomen (Fent 2025a).

De herhalingsvaccinatiestudie (Fent 2025b), gepubliceerd in BMC Veterinary Research, evalueerde de serologische respons op herhalingsvaccinatie bij 10 maanden oude honden die eerder waren gevaccineerd volgens standaardaanbevelingen, die ilunocitinib ontvingen bij 1X of 3X de aanbevolen dosis (0,6-0,8 respectievelijk 1,8-2,4 mg/kg) gedurende 56 dagen. De resultaten toonden aan dat behandeling met ilunocitinib bij 1X en 3X de serologische respons op herhalingsvaccinaties CAV-2, CPV, CDV of hondsdolheid niet significant verzwakte in vergelijking met onbehandelde controle-dieren (Fent 2025b). Alle behandelde honden vertoonden antilichaamtiters op of boven de beschermende drempelwaarde voor hondsdolheid, CAV-2 en CPV op dag 43 en dag 56 na vaccinatie. Het huidige SPC handhaaft de aanbeveling om Zenrelia ten minste 28 dagen tot 3 maanden vóór vaccinatie te staken en de behandeling niet te hervatten tot ten minste 28 dagen na vaccinatie. Honden moeten actuele vaccinaties hebben voor aanvang van de behandeling.

De conclusie van de FDA is dat de therapeutische dosis (0,6–0,8 mg/kg) geen gedocumenteerd risico op fatale vaccin-geïnduceerde ziekte met zich meebrengt, na herziening van het label in september 2025.

8.3 Infectierisico’s en bewaking

8.3.1 Infectiegevoeligheid en bewakingsprotocol

De immunomodulatie veroorzaakt door remming van JAK-kinasen leidt tot een theoretische toename van vatbaarheid voor opportunistische infecties. De infecties gedocumenteerd in de klinische studies van atopische dermatitis en in de post-AMM geneesmiddelenbewaking omvatten bacteriële huidinfecties (pyodermitis), luchtweginfecties, urineweginfecties, reactivering van Demodex canis en intestinale parasitaire infecties (coccidiose). Canine adenovirose (hepatitis en pancreatitis) werd geïdentificeerd als geneesmiddelenbewakingssignaal. Een klinisch bewakingsprotocol wordt aanbevolen, inclusief regelmatig lichamelijk onderzoek, een controlehemogram (opsporing van afwijkingen in erytrocytaire parameters: hemoglobine, hematocriet, bloedplaatjesaantal en telling van rode bloedcellen) en verhoogde waakzaamheid voor huid-, luchtwegen- en gastro-intestinale infecties (Kuntz 2025).

8.4 Neoplastisch risico

8.4.1 Baten-risicobalans

Goedaardige en kwaadaardige neoplastische aandoeningen werden waargenomen in de klinische studies van ilunocitinib, zonder dat een causaal verband formeel is vastgesteld (Forster 2025b). In analogie met de in de humane geneeskunde verzamelde gegevens over JAKi (tofacitinib, baricitinib, upadacitinib) wordt bewaking op het ontstaan van neoplasieën bij langdurig gebruik aanbevolen, met name bij honden met een voorgeschiedenis van recidiverende neoplasie. De baten-risicobalans moet individueel worden beoordeeld voor elke patiënt.

8.5 Bijzondere risicogroepen

8.5.1 Niet-geëvalueerde populaties

Oudere honden, rassen met een bijzondere infectiegevoeligheid (brachycefale rassen, rassen met een aanleg voor demodicose) en honden onder gelijktijdige immunosuppressieve therapie vormen risicogroepen die intensievere bewaking vereisen. De afwezigheid van gegevens bij pups jonger dan 12 maanden, drachtige of zogende teven en fokdieren vereist voorzichtige extrapolatie. De combinatie met andere immunosuppressiva (glucocorticoïden, ciclosporine) is niet geëvalueerd in het kader van het klinische ontwikkelingsprogramma (Kuntz 2025).

DEEL IX — GENEESMIDDELENINTERACTIES

9.1 Farmacodynamische interacties

De combinatie van ilunocitinib met andere immunosuppressiva (systemische glucocorticoïden, ciclosporine, azathioprine, mycofenolaatmofetil) kan de immunosuppressie versterken en het infectierisico verhogen (EMA 2025). Deze combinatie wordt niet aanbevolen zonder een grondige beoordeling van de baten-risicobalans per geval. De gegevens uit de klinische studies werden verzameld onder omstandigheden waarbij anti-infectieuze behandelingen (antibiotica, antischimmelmiddelen, antiparasitaira) en niet-steroïdale topica gelijktijdig waren toegestaan, en vaccinaties waren toegestaan volgens het studieprotocol (Forster 2025a, 2025b, 2025c). De combinatie ilunocitinib en allergeenspecifieke immunotherapie (ASIT, desensibilisatie) vormt een klinisch perspectief onderbouwd door beschikbare gegevens: Fennis et al. (2022) toonden in een prospectieve studie met 48 atopische honden aan dat gelijktijdige toediening van oclacitinib en ASIT de door immunotherapie geïnduceerde lymfocytenmodulatie niet belemmerde, waarbij de klinische responspercentages vergelijkbaar bleven met die van honden die alleen ASIT ontvingen. Door farmacodynamische extrapolatie (gedeeld JAK-mechanisme) lijkt het handhaven van ilunocitinib tijdens de inductiefasen van desensibilisatie compatibel met de werkzaamheid van ASIT, aangezien desensibilisatie werkt via inductie van tolerantie door regulatoire T-lymfocyten en blokkerende IgG’s — immunologische mechanismen die onderscheiden zijn van de JAK-STAT-route (Fennis 2022).

9.2 Farmacokinetische interacties

9.2.1 Substraat van P-glycoproteïne

Ilunocitinib is een potentieel substraat van P-gp (ABCB1)-transporters op intestinaal niveau, in analogie met baricitinib en tofacitinib (Spinelli 2021). Geneesmiddelen die P-gp remmen (ketoconazol, itraconazol, ciclosporine, verapamil) zouden theoretisch de biologische beschikbaarheid van ilunocitinib kunnen verhogen door intestinale efflux te verminderen, terwijl inductoren van P-gp (rifampicine, fenobarbital) deze zouden kunnen verlagen (Payne 2015). Gelijktijdige toediening met ilunocitinib kan de systemische blootstelling aan ilunocitinib verhogen door competitie op de ABCB1-efflux-transporter.

9.2.2 Interacties met canine cytochroom P450

De invloed van hepatische cytochroom P450-enzymen op het metabolisme van ilunocitinib is in vivo bij de hond niet volledig gekarakteriseerd, hoewel de metabolismgegevens suggereren dat de biliaire route significant bijdraagt aan de eliminatie (Boerngen 2026). Het canine CYP2D15, het ortholoog van humaan CYP2D6, metaboliseert talrijke psychotrope en cardiovasculaire geneesmiddelen. Clomipramine (CLOMICALM tab 5-20-80 mg ND, Elanco), een tricyclisch antidepressivum dat frequent wordt voorgeschreven bij de behandeling van angststoornissen bij de atopische hond (scheidingsangst, leckneuroder-matitis), is een gedocumenteerde remmer van canine CYP2D15 (Aidasani 2008). Gelijktijdige toediening van ilunocitinib en clomipramine zou theoretisch het metabolisch profiel van een van beide verbindingen kunnen wijzigen als CYP2D15 significant bijdraagt aan hun biotransformatie. Voorzichtigheid is geboden bij gelijktijdige toediening van geneesmiddelen die substraat of remmer zijn van efflux-transporters of hepatische CYP-enzymen (EMA 2025).

DEEL X — DIEPGAANDE IMMUNOLOGISCHE GEGEVENS

10.1 Impact op lymfocytaire subpopulaties

Immunofenotypering van perifere lymfocyten uitgevoerd in de 6 maanden durende veiligheidsstudie (Kuntz 2025) toonde de afwezigheid aan van significant effect van ilunocitinib op de lymfocytaire subpopulaties CD5+ totale T-cellen, CD4+ T-helpercellen, CD8+ cytotoxische T-cellen, CD21+ B-cellen en monocyten bij de therapeutische dosis (0,8 mg/kg). Dit behoud van het circulerende immunofenotype bij de klinische dosis contrasteert met humane gegevens van tofacitinib, waarbij een dosisafhankelijke vermindering van NK-lymfocyten (natural killer) en CD8+ T-lymfocyten is gedocumenteerd in de humane reumatologie (Strober 2013). De afwezigheid van verstoring van lymfocytaire populaties bij de therapeutische dosis vormt een significant argument voor immunologische verdraagzaamheid, wat suggereert dat het behoud van adaptieve immuniteit compatibel is met de antipruritische en anti-inflammatoire werkzaamheid van de molecule. Regelmatige hematologische bewaking blijft echter aanbevolen bij langdurig gebruik, aangezien veiligheidsgegevens op zeer lange termijn (buiten 6 maanden) nog niet beschikbaar zijn in gecontroleerde studies.

10.2 Impact op erytropoëse

Een lichte en dosisafhankelijke afname van erytrocytaire parameters (hemoglobine, hematocriet, telling van rode bloedcellen, MCHC, MCH) is gedocumenteerd bij doses ≥ 3X in de veiligheidsstudie (Kuntz 2025). Dit fenomeen wordt toegeschreven aan de remming van JAK2/EPO-signalering (erytropoëtine), een kritieke route voor medulaire erytropoëse. De binding van EPO aan zijn homodimere receptor activeert het JAK2/JAK2-paar, wat leidt tot STAT5-fosforylering en transcriptie van genen voor overleving en proliferatie van erytroïde voorlopercellen. De remming van JAK2 door ilunocitinib leidt tot een dosisafhankelijke verzwakking van deze cascade, met klinische gevolgen die sublimaal blijven bij de therapeutische dosis (waarden binnen de referentielimieten), maar significant kunnen worden bij langdurige overdosering. Deze observatie is consistent met gegevens van humane JAKi: baricitinib induceert een matige daling van hemoglobine bij 2 tot 5% van de humane patiënten behandeld voor reumatoïde artritis, en tofacitinib is in verband gebracht met gevallen van anemie die dosisreductie vereisten (Strober 2013). Bewaking van het hemogram, met name van hematocriet en hemoglobine, is aanbevolen bij langdurig gebruik van ilunocitinib, met voorzichtige dosisaanpassing bij anemische honden of honden met fragiele medulaire gezondheid.

10.3 Effect op de Th2-route en de IL-4/IL-13-as: therapeutische implicaties voorbij jeuk

De remming van IL-4/IL-13-signalering door blokkade van de JAK1/JAK3- en JAK1/JAK2/TYK2-paren vormt een van de centrale farmacodynamische mechanismen van ilunocitinib, met potentieel bredere therapeutische implicaties dan alleen de beheersing van jeuk. IL-4, door binding aan zijn type I-receptor (IL-4Rα/γc, JAK1/JAK3) of type II-receptor (IL-4Rα/IL-13Rα1, JAK1/TYK2), activeert STAT6-fosforylering, een sleutel-transcriptiefactor voor Th2-polarisatie. Gefosforyleerd STAT6 induceert transcriptie van genen die coderen voor de epsilon-keten van immunoglobulinen (isotypische omschakeling naar IgE), chemokinereceptoren CCR4 en CCR8, en Th2 pro-inflammatoire mediatoren (IL-5, IL-13) (Olivry 2010). Remming van deze route door ilunocitinib zou theoretisch de productie van totale en specifieke IgE kunnen verminderen, kunnen bijdragen aan herstel van de huidbarrière (IL-13 tast de expressie van keratinocytaire verbindingseiwitten aan) en een anti-inflammatoir effect kunnen uitoefenen dat verder gaat dan het symptomatische beheer van jeuk en krabben. Deze mechanistische hypothesen vormen toekomstige onderzoekslijnen, aangezien de huidige klinische gegevens geen vermindering van serum-IgE onder ilunocitinib documenteren in de gepubliceerde studies. De vergelijkende studie met oclacitinib (Forster 2025c) toonde een meer uitgesproken en aanhoudende afname van huidletsels (CADESI-04) onder ilunocitinib van dag 28 tot dag 112, wat suggereert dat er een cutaan anti-inflammatoir effect is dat verder gaat dan alleen antipruritische beheersing en mogelijk verband houdt met de aanvullende remming van TYK2 (IL-12/IL-23-Th1/Th17-route).

Onderzoeksperspectieven

De komst van ilunocitinib in het therapeutisch arsenaal van de veterinaire dermatologie opent verschillende onderzoekslijnen. Veiligheidsgegevens op zeer lange termijn (voorbij 12 maanden) onder echte klinische omstandigheden zijn nog nodig, met name om het cumulatieve neoplastische en infectierisico te karakteriseren. In de humane geneeskunde heeft de ORAL Surveillance-studie een verhoogd risico op ernstige cardiovasculaire gebeurtenissen en neoplasieën aangetoond onder tofacitinib in vergelijking met anti-TNF bij reumatologische patiënten ouder dan 50 jaar, wat de FDA ertoe heeft gebracht een omkadering te maken voor alle humane JAKi. Extrapolatie van deze gegevens naar de veterinaire geneeskunde blijft speculatief, aangezien de canine cardiovasculaire pathofysiologie en de levensverwachting van patiënten fundamenteel verschillend zijn, maar oncologische en infectieuze waakzaamheid is geboden bij langdurige behandelingen.

De impact van ilunocitinib op het cutane microbioom van atopische honden, op het herstel van de epidermale barrière en op serumbiomarkers (totale en specifieke IgE, circulerende cytokinen) verdient prospectieve evaluatie. Transcriptomische studies uitgevoerd op huidbiopten van atopische honden behandeld met oclacitinib toonden een gedeeltelijke normalisatie van de expressie van intercelulaire verbindingseiwitten en antimicrobiële peptiden aan (Marsella 2021), wat suggereert dat JAK-remming een barrièrehersteleffect kan uitoefenen dat verder gaat dan alleen symptomatische beheersing. Soortgelijke studies met ilunocitinib, profiterend van zijn aanvullende remmingsprofiel (TYK2), zouden een mogelijk therapeutisch voordeel op de biologie van de huidbarrière kunnen documenteren.

De combinatie ilunocitinib en allergeenspecifieke immunotherapie (ASIT) zou een gecombineerde strategie kunnen vormen die snelle symptomatische beheersing combineert met langdurige modificatie van de allergische immuunrespons. ASIT, waarvan de werkzaamheid is gedocumenteerd bij 50 tot 75% van de atopische honden, afhankelijk van de studies en de protocollen, na 6 tot 12 maanden protocol (Olivry 2015), werkt via inductie van regulatoire T-lymfocyten die IL-10 en TGF-β produceren en via isotypische deviatie van IgE naar blokkerende IgG4. Het behoud van regulatoire T-lymfocytpopulaties onder ilunocitinib, gesuggereerd door de afwezigheid van verstoring van het CD4+-immunofenotype in de studie van Kuntz (2025), is een argument voor de compatibiliteit van deze combinatie. Gecombineerde studies worden verwacht om deze hypothese te documenteren.

Vergelijkende gegevens met lokivetmab en de tweede generatie JAK-remmers die in veterinaire ontwikkeling zijn, zullen het mogelijk maken ilunocitinib te positioneren in het therapeutische algoritme. De evaluatie van canine anti-IL-4Rα biotherapieën (analoog aan humaan dupilumab) vormt een verkennende onderzoekslijn. De karakterisering van genen voor vatbaarheid voor CAD, in afwachting van resultaten al twee decennia, zou op termijn de identificatie mogelijk kunnen maken van voorspellende biomarkers voor therapeutische respons op JAKi. De studie van populatiefarmacokinetiek, met integratie van ras-, leeftijds-, gewichts- en leverfunctiecovariabelen, vormt een onmisbare aanvulling op de huidige gegevens voor de optimalisatie van geïndividualiseerde posologische schema’s.

Ilunocitinib vertegenwoordigt daarmee een significante therapeutische vooruitgang bij de behandeling van canine atopische dermatitis en geassocieerde allergische dermatitis, met een gunstig verdraagzaamheidsprofiel bij de therapeutische dosis, werkzaamheid gedocumenteerd in gecontroleerde studies van hoog bewijsniveau, en een vereenvoudigd posologisch schema met eenmaal daagse toediening. Toegang tot internationale geneesmiddelenbewakingsgegevens over een groeiend aantal behandelde honden — meer dan 800.000 per september 2025, met commerciële implementatie in Europa, Noord-Amerika, Brazilië en Japan — zal het mogelijk maken zeldzame klinische verschijnselen en geneesmiddeleninteracties onder echte gebruiksomstandigheden te verduidelijken. De stand van kennis in 2025-2026 positioneert deze molecule als een eerstelijns instrument voor de dermatoloog en de huisarts-dierenarts die geconfronteerd wordt met canine allergische dermatitis, waarvan de integratie in een multimodale therapeutische strategie — inclusief omgevingsallergeencontrole, herstel van de huidbarrière via emolliente topica, beheersing van bacteriële en schimmelinfecties, en eventueel allergeenspecifieke immunotherapie — de sleutel blijft tot optimale en duurzame behandeling van CAD. De positionering van Zenrelia ten opzichte van bestaande moleculen (oclacitinib, lokivetmab, ciclosporine) en moleculen in ontwikkeling (atinvicitinib, selectieve tweedegeneratieremmers) zal verder worden verduidelijkt naarmate vergelijkende publicaties en klinische ervaringen op grote schaal beschikbaar komen.

Referenties

Aidasani D, Zaya MJ, Muppal JG, Locuson CW. In vitro drug-drug interaction screening of canine cytochrome P450 enzymes with clomipramine and related tricyclics. Drug Metab Dispos. 2008;36:1512-1518.

Boerngen K, Patel Y, Pittorino M, Toutain CE. Pharmacokinetics of ilunocitinib, a new Janus kinase inhibitor, in dogs. J Vet Pharmacol Ther. 2026;49(1):7–16.

Bonelli M, Kerschbaumer A, Kastrati K, Ghoreschi K, Gadina M, Heinz LX, et al. Selectivity, efficacy and safety of JAKinibs: new evidence for a still evolving story. Ann Rheum Dis. 2024;83:139-160.

Chaudhary SK, Singh SK, Kumari P, Kanwal S, Soman SP, Choudhury S, et al. Alterations in circulating concentrations of IL-17, IL-31 and total IgE in dogs with atopic dermatitis. Vet Dermatol. 2019;30:383-e114.

Choy EH. Clinical significance of Janus kinase inhibitor selectivity. Rheumatology. 2019;58:953-962.

Clark JD, Flanagan ME, Telliez JB. Discovery and development of Janus kinase (JAK) inhibitors for inflammatory diseases. J Med Chem. 2014;57:5023-5038.

Cosgrove SB, Wren JA, Cleaver DM, Walsh KF, Follis SI, King VI, et al. Long-term compassionate use of oclacitinib in dogs with atopic and allergic skin disease: safety, efficacy and quality of life. Vet Dermatol. 2015;26:171-179.

Datsi A, Steinhoff M, Ahmad F, Alam M, Buddenkotte J. Interleukin-31: the “itchy” cytokine in inflammation and therapy. Allergy. 2021;76:2982-2997.

Di Salvo E, Ventura-Spagnolo E, Casciaro M, Navarra M, Gangemi S. IL-33/IL-31 axis: a potential inflammatory pathway. Mediators Inflamm. 2018;2018:3858032.

Drechsler Y, Dong C, Clark DE, Kaur G. Canine atopic dermatitis: prevalence, impact, and management strategies. Vet Med (Auckl). 2024;15:15-29.

EMA. European Public Assessment Report (EPAR) Zenrelia™ (ilunocitinib). European Medicines Agency; 2025.

Favrot C, Fischer N, Olivry T, Zwickl L, Audergon S, Rostaher A. Atopic dermatitis in West Highland White Terriers — Part I: Natural history of atopic dermatitis in the first three years of life. Vet Dermatol. 2020;31:106-110.

FDA. New Animal Drug Application NADA 141-585 Zenrelia™ (ilunocitinib tablets). US Food and Drug Administration; 2024.

Fennis M, Vroom M, Broeckx BJG, Vandenabeele S, De Cock H. Concurrent administration of oclacitinib and allergen-specific immunotherapy in dogs with atopic dermatitis. Vet Dermatol. 2022;33:344-e85.

Fent GM, Despa S, Gabor L, Earll M, McCandless EE, O’Kelley S, et al. Response to primary canine core vaccination in 10-month-old seronegative dogs treated with three times the recommended therapeutic dose of ilunocitinib tablets (Zenrelia™). BMC Vet Res. 2025a;21:461.

Fent GM, Jacela J, Plazola-Ortiz R, Olps J, McCandless EE, Toutain CE, et al. Immunologic response to first booster vaccination in dogs treated with Zenrelia™ (ilunocitinib tablets) at up to three times the recommended therapeutic dose compared to untreated controls. BMC Vet Res. 2025b;21:481.

Forster S, Trout CM, Despa S, Boegel A, Berger D, King S. Efficacy and field safety of ilunocitinib for the control of allergic dermatitis in client-owned dogs: a multicenter, double-masked, randomised, placebo-controlled clinical trial. Vet Dermatol. 2025a;0:1-11.

Forster S, Trout CM, Despa S, Boegel A, Berger D, King S. Efficacy and field safety of ilunocitinib for the control of atopic dermatitis in client-owned dogs: a multicentre, double-masked, randomised, placebo-controlled clinical trial. Vet Dermatol. 2025b;0:1-13.

Forster S, Boegel A, Despa S, Trout C, King S. Comparative efficacy and safety of ilunocitinib and oclacitinib for the control of pruritus and associated skin lesions in dogs with atopic dermatitis. Vet Dermatol. 2025c;36:165-176.

Fukuyama T, Ganchingco JR, Bäumer W. Demonstration of rebound phenomenon following abrupt withdrawal of the JAK1 inhibitor oclacitinib. Eur J Pharmacol. 2017;794:20-26.

Gonzales AJ, Humphrey WR, Messamore JE, Fleck TJ, Fici GJ, Shelly JA, et al. Interleukin-31: its role in canine pruritus and naturally occurring canine atopic dermatitis. Vet Dermatol. 2013;24:48-53.

Gonzales AJ, Bowman JW, Fici GJ, Zhang M, Mann DW, Mitton-Fry M. Oclacitinib (APOQUEL) is a novel Janus kinase inhibitor with activity against cytokines involved in allergy. J Vet Pharmacol Ther. 2014;37:317-324.

Hensel P, Santoro D, Favrot C, Hill P, Griffin C. Canine atopic dermatitis: detailed guidelines for diagnosis and allergen identification. BMC Vet Res. 2015;11:196.

Hillier A, Griffin CE. The ACVD task force on canine atopic dermatitis (I): incidence and prevalence. Vet Immunol Immunopathol. 2001;81:147-151.

Huang JT, Doering KA, Fang X. Mechanism of action underlying the efficacy of JAK inhibitors in skin diseases. J Drugs Dermatol. 2022;21:234-241.

Kuntz EA, Gabor L, Toutain CE. Safety of ilunocitinib tablets (Zenrelia™) after once daily oral administration in dogs. BMC Vet Res. 2025;21:144.

Marsella R. Advances in our understanding of canine atopic dermatitis. Vet Dermatol. 2021;32:547-e151.

Michels GM, Ramsey DS, Walsh KF, Martinon OM, Mahabir SP, Hoevers JD, et al. A blinded, randomized, placebo-controlled, dose determination trial of lokivetmab (ZTS-00103289), a caninized, anti-canine IL-31 monoclonal antibody in client owned dogs with atopic dermatitis. Vet Dermatol. 2016;27:478-e129.

Nemmer JM, Stander S. New developments in the pathophysiology of pruritus. Dermatol Ther (Heidelb). 2021;11:1795-1815.

Olivry T, Bizikova P. A systematic review of the evidence of reduced allergenicity and clinical benefit of food hydrolysates in dogs with cutaneous adverse food reactions. Vet Dermatol. 2010;21:32-41.

Olivry T, Saridomichelakis M, Nuttall T, Bensignor E, Griffin CE, Hill PB, et al. Validation of the canine atopic dermatitis extent and severity index (CADESI)-4, a simplified severity scale for assessing skin lesions of atopic dermatitis in dogs. Vet Dermatol. 2014;25:77-85.

Olivry T, DeBoer DJ, Favrot C, Jackson HA, Mueller RS, Nuttall T, et al. Treatment of canine atopic dermatitis: 2015 updated guidelines from the International Committee on Allergic Diseases of Animals (ICADA). BMC Vet Res. 2015;11:210.

Olivry T, Lokianskiene V, Blanco A, et al. A randomised controlled trial testing the rebound-preventing benefit of four days of prednisolone during the induction of oclacitinib therapy in dogs with atopic dermatitis. Vet Dermatol. 2023;34:99-106.

O’Shea JJ, Schwartz DM, Villarino AV, Gadina M, McInnes IB, Laurence A. The JAK-STAT pathway: impact on human disease and therapeutic intervention. Annu Rev Med. 2015;66:311-328.

Payne JT, Danielson JR, Bennett BS, Wheeler J, Krebber R. Interaction of transporter proteins with P-glycoprotein inhibitors and substrates in vitro. Drug Metab Dispos. 2015;43:1199-1207.

Pucheu-Haston CM, Bizikova P, Marsella R, Santoro D, Nuttall T, Eisenschenk MN. Review: Genetics, epigenetics and allergy of canine atopic dermatitis. Vet Dermatol. 2015;26:84-e26.

Santoro D, Marsella R, Pucheu-Haston CM, Eisenschenk MN, Nuttall T, Bizikova P. Review: Pathogenesis of canine atopic dermatitis: skin barrier and host-micro-organism interaction. Vet Dermatol. 2015;26:84-e25.

Spinelli FR, Meylan F, O’Shea JJ, et al. JAK inhibitors: ten years after. Eur J Immunol. 2021;51:1615-1627.

Steffan J, Favrot C, Mueller R. A systematic review and meta-analysis of the efficacy and safety of cyclosporin for the treatment of atopic dermatitis in dogs. Vet Dermatol. 2006;17:3-16.

Strober B, Buonanno M, Clark JD, et al. Effect of tofacitinib, a Janus kinase inhibitor, on haematological parameters during 12 weeks of psoriasis treatment. Br J Dermatol. 2013;169:992-999.

Virtanen A, Palmroth M, Liukkonen S, et al. Differences in JAK isoform selectivity among different types of JAK inhibitors evaluated for rheumatic diseases through in vitro profiling. Arthritis Rheumatol. 2023;75:2054-2061.

Share DermaVet Insights ;-)

Laat een reactie achter

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Scroll naar boven