Dermatofytosen zijn oppervlakkige infecties van huid en haar, veroorzaakt door keratinofiele schimmels van de geslachten Microsporum, Trichophyton en Nannizzia. Bij hond en kat overheerst Microsporum canis ruimschoots. De aandoening is besmettelijk, infectieus en overdraagbaar op de mens, wat haar een aparte plaats geeft in het dermatologische consult. De dierenarts behandelt een dier en beschermt het gezin waarin het leeft.
Ongeveer de helft van de personen die aan een besmette kat worden blootgesteld, met of zonder symptomen, loopt de infectie op, en in 30 tot 70 % van de huishoudens met een besmette kat is ten minste één persoon aangedaan (Miller et al., 2013). De behandeling daarentegen is veranderd. Niet in haar uitgangspunten, vastgelegd in internationale consensusaanbevelingen, maar in de middelen: verscheidene specialiteiten zijn verdwenen, een resistentiemechanisme is opgetreden. Daarom was het in 2026 tijd voor een volledig overzicht van zowel de nog beschikbare moleculen als de geactualiseerde protocollen.
Noot voor de lezer: het in dit artikel beschreven regelgevende kader, in het bijzonder de van de markt gehaalde specialiteiten, de handelsvergunningen en de cascaderegeling, is het Franse. De moleculen, doseringen en therapeutische uitgangspunten blijven overal geldig, maar de commerciële beschikbaarheid van elke specialiteit dient op de eigen nationale markt te worden nagegaan.

Dermatofytose bij de mens
1 Ontwikkeling sinds de referentieprotocollen
1.1 Waarom behandelen we een ziekte die vanzelf geneest?
Dermatofytose is niet levensbedreigend en geneest zonder ingrijpen. Als we behandelen, is dat om het beloop te bekorten en de overdracht te beperken (Moriello, 2019a).
Vijf honden van 6 tot 18 maanden met gegeneraliseerde dermatofytose kregen eenmaal daags een inerte stof oraal met het voer. Bij 3 van hen verdwenen de verschijnselen na 4 tot 8 weken. De 2 andere, zonder verbetering, genazen na 6 weken ketoconazol (Medleau et al., 1992). Bij de kat wordt de ziekte in een groot aantal gevallen beschreven als spontaan genezend, met haarverlies en schilfering als enige verschijnselen; multifocale of gegeneraliseerde vormen worden vooral gezien bij de kitten en bij het immuungecompromitteerde dier (Frymus et al., 2013).
De genezingspercentages van de controlegroepen zijn dus geen artefacten. De 6 van de 40 katten die onder placebo genazen in de registratiestudie van itraconazol illustreren dit natuurlijke beloop. Daartegen wordt het effect van een behandeling afgemeten. Aangezien het dier hoe dan ook zou genezen, is het therapeutische doel bovendien de besmettelijke periode te bekorten en de omgeving te saneren.
1.2 De consensusaanbevelingen van 2017 en wat zij hebben vastgelegd
De referentie van het vakgebied blijft het klinische consensusdocument van de World Association for Veterinary Dermatology, gepubliceerd in 2017 (Moriello et al., 2017).
Geen enkele diagnostische test wordt daarin als referentiemethode erkend. De woodlamp en het directe haaronderzoek hebben er een goede voorspellende waarde, zowel positief als negatief.
Over de behandeling: genezing vereist het gelijktijdige gebruik van een oraal systemisch antimycoticum en van een lokaal antimycoticum op de vacht. Aangezien het dier infectieuze sporen draagt op haren die niet alle aangetast zijn, volstaat geen van beide wegen alleen. De systemische antimycotica worden er bovendien beschreven als middelen met een ruime veiligheidsmarge, en de fysieke reiniging alsook het aanbrengen van een antimycoticum in de omgeving als noodzakelijk bij de ontsmetting van de ruimten. Ten slotte herinneren de auteurs eraan dat ernstige complicaties van overdracht op de mens uitzonderlijk zijn.
1.3 Van de Franse markt gehaalde specialiteiten en praktische gevolgen
Verscheidene van de producten die in oudere internationale aanbevelingen worden genoemd, zijn niet meer verkrijgbaar, in het bijzonder in Frankrijk.
Om te beginnen griseofulvine. De diergeneeskundige specialiteit in tabletvorm op basis van griseofulvine, FULVIDERM ND (Laboratorium Virbac), behoudt een geldige handelsvergunning in het Europese register van diergeneesmiddelen, maar is niet meer te bestellen. Alleen een orale poedervorm blijft over, DERMOGINE ND (Laboratorium Dopharma France), met 100 mg griseofulvine per gram, geregistreerd voor hond, kat en paard onder de onbeperkte vergunning FR/V/8551428 (ANSES-ANMV, 2026). In de humane geneeskunde kondigde het bedrijf Sanofi op 19 juli 2021 de stopzetting aan van de verkoop van de specialiteiten GRISEFULINE ND van 250 en 500 mg, wegens onopgeloste productieproblemen (ANSM, 2021).
Vervolgens de ontsmetting van de ruimten. De rookgenerator op basis van enilconazol, CLINAFARM ND (Laboratorium Elanco France), lange tijd het referentiemiddel in groepshuisvesting, wordt in Frankrijk niet meer verkocht. Dit product valt onder de status van biocide en niet van diergeneesmiddel, waardoor het niet in het nationale register van diergeneesmiddelen voorkomt. Het verdwijnen ervan laat een leemte die niets strikt gelijkwaardigs opvult, en maakt een deel van de eerder geschreven protocollen voor catteries achterhaald.
Bij deze twee terugtrekkingen komt een blijvende beperking: kalkzwavel, hoeksteen van de gehele Noord-Amerikaanse literatuur over lokale behandeling, komt met geen enkel in de Europese Unie geregistreerd diergeneesmiddel overeen. In de Verenigde Staten dragen de verkochte bereidingen de vermelding dat de federale instantie noch hun veiligheid noch hun werkzaamheid heeft vastgesteld en hun etikettering niet heeft goedgekeurd. De molecule is er geregistreerd bij het milieuagentschap, voor landbouwkundig gebruik en voor lokale toepassing tegen mijten bij landbouwhuisdieren. De Franse dierenarts leest dus aanbevelingen die gebouwd zijn op een product dat voor hem onbereikbaar is en dat de instantie van het land waar het wordt gebruikt nooit heeft beoordeeld. Enilconazol daarentegen blijft in Frankrijk beschikbaar als te verdunnen oplossing voor emulsie voor cutane verneveling met 100 mg/ml, IMAVERAL ND (Laboratorium Audevard). Dit product geniet een in 1982 verleende onbeperkte vergunning en is niet receptplichtig. De indicatie omvat de dermatofytosen door Microsporum canis, Microsporum gypseum, Trichophyton verrucosum, Trichophyton mentagrophytes en Trichophyton equinum, bij hond, kat, rund en paard (ANSES-ANMV, 2026). De molecule wordt niet verkocht in de Verenigde Staten (VCA, 2026), wat de marginale plaats verklaart die zij in Amerikaanse publicaties inneemt; in andere lidstaten blijft zij daarentegen geregistreerd, onder afwijkende benamingen. Het is deze specialiteit die in de omgeving kan worden aangebracht in een 5 maal hogere concentratie dan op de dieren.

Uitgebreide dermatofytose bij een hond
1.4 Het opkomen van allylamineresistente dermatofyten
Het opvallendste nieuwe feit sinds 2013 betreft geen molecule maar een schimmel. Trichophyton indotineae, eerst beschreven als genotype VIII van het Trichophyton-mentagrophytes-complex, is opgekomen vanuit het Indiase subcontinent en heeft zich internationaal verspreid (Ahmad, 2026).
Puntmutaties van het gen van het squaleen-epoxidase wijzigen het aangrijpingspunt van terbinafine. Drie substituties zijn benoemd: Leu393Phe, Phe397Leu en Ala448Thr. Deze mutaties geven hoge minimaal remmende concentraties voor terbinafine en zijn aangetoond in zowel humane als dierlijke isolaten, wat wijst op circulatie van stabiele en overdraagbare resistente klonen (Ahmad, 2026).
Volledige genoomsequencing van 13 Indiase isolaten, 9 van humane en 4 van canine oorsprong, toonde geringe verschillen in polymorfismen tussen beide herkomsten, wat pleit voor zoönotische overdracht en snelle verspreiding over grote afstanden (Thakur et al., 2025). Twee elders gekarakteriseerde canine stammen uit Noord-India bleken echter gevoelig voor terbinafine, zonder substitutie op positie 393 of 397 (Thomas et al., 2025). De resistentie hoort dus niet bij de soort, zij hoort bij bepaalde klonen.
In Europa droegen twee T.-mentagrophytes-isolaten van Poolse egels de substitutie Leu393Phe, met een minimaal remmende concentratie van 2 µg/ml voor terbinafine (Gnat et al., 2021).
Microsporum canis, verwekker van vrijwel alle canine en feliene gevallen, wordt eveneens resistent, maar langs een andere weg. De eerste bij een kat geïsoleerde terbinafineresistente stam werd in 2018 gemeld: een tweejarige exotic shorthair met alopecie en discrete schilfering van de romp, waarvan de stam een minimaal remmende concentratie van meer dan 32 µg/ml voor terbinafine en van 0,023 µg/ml voor itraconazol vertoonde. Het dier genas onder systemisch itraconazol (Hsiao et al., 2018). Het onderliggende mechanisme is geen mutatie van het squaleen-epoxidase maar een overexpressie van ABC-transporters: in een resistente stam was de expressie van de genen PDR1, MDR1, MDR2 en MDR4 twee- tot viermaal hoger dan in gevoelige stammen, en toevoeging van de effluxblokker FK506 verlaagde de minimaal remmende concentratie van meer dan 32 naar 8 µg/ml (Kano et al., 2018). Effluxresistentie spaart de azolen dus niet noodzakelijk, anders dan een mutatie van het aangrijpingspunt van terbinafine.
De frequentie ervan blijft echter laag. Van 348 M.-canis-isolaten uit continentaal China, over 27 jaar onderzocht volgens de methode M38-A3 van het Clinical and Laboratory Standards Institute, in een humane reeks die onder meer 54 gevallen van hoofdhuidringworm bij kinderen omvatte, bleken twee stammen resistent tegen griseofulvine met een minimaal remmende concentratie van 64 µg/ml, één tegen fluconazol bij dezelfde waarde en twee tegen terbinafine bij 16 µg/ml. De grote meerderheid van de stammen behield lage minimaal remmende concentraties voor de 11 geteste moleculen, en analyse van hun verdeling toonde geen duidelijk resistentieprofiel (Liang et al., 2025). In Centraal-Azië bleven bij humane klinische isolaten alle 57 volgens de EUCAST-methode geteste M.-canis-stammen gevoelig voor terbinafine, terwijl 4 van de 33 Trichophyton-stammen resistent waren (Aimoldina et al., 2026). Deze twee reeksen laten zich niet punt voor punt vergelijken: de door de Amerikaanse en door de Europese methode voortgebrachte waarden van de minimaal remmende concentratie zijn niet uitwisselbaar, en van de ene studie naar de andere is enkel de orde van grootte van de resistentiefrequentie af te lezen.
Resistentie van M. canis bestaat dus, maar is zeldzaam, en verloopt via een ander mechanisme dan bij T. indotineae. Bovendien verbindt tot op heden geen enkele klinische reeks de mutaties van het squaleen-epoxidase met therapiefalen bij hond of kat in Europa. Het onmiddellijke gevolg is dus diagnostisch vóór het therapeutisch wordt: het betreft de soortbepaling bij falen, niet de eerstekeuzebehandeling. Dat weegt te zwaarder omdat kweekidentificatie T. indotineae niet onderscheidt van de overige Trichophyton-soorten: daarvoor is sequencing van de ITS-regio nodig, aangevuld met die van het HMG-gen, dat codeert voor een transcriptiefactor met HMG-box waarvan de sequentie de soorten scheidt die de ITS-regio alleen niet onderscheidt, massaspectrometrie met bijgewerkte bibliotheek, of sequencing van het gen van het squaleen-epoxidase (Ahmad, 2026).
2 Farmacologie van de bruikbare antimycotica
2.1 Azolen: mechanisme, spectrum en activiteit in de keratine
Azolen remmen het 14-alfa-demethylase, een cytochroom-P450-enzym van de schimmel dat lanosterol omzet in ergosterol. De schimmelmembraan wordt daardoor beroofd van haar structuursterol en verrijkt met gemethyleerde voorlopers. De permeabiliteit ontregelt, de groei van de schimmel komt tot stilstand. Het effect is fungistatisch bij de in de kliniek bereikte concentraties.
Deze remming is echter niet volmaakt selectief, en daaruit komen de bijwerkingen van de klasse voort. Dezelfde cytochroom-P450-enzymen zijn immers betrokken bij de steroïdogenese van zoogdieren en bij het hepatische metabolisme van talrijke geneesmiddelen, vandaar de waargenomen hormonale verstoringen en geneesmiddeleninteracties, vooral bij ketoconazol.
Itraconazol hoopt zich op in haar en huid, waar het gedurende de onderbrekingsweken en na de laatste toediening in concentraties boven de therapeutische drempel aanwezig blijft. Uitsluitend deze weefselpersistentie maakt het schema met om de week toedienen mogelijk.
2.2 Allylaminen: fungicide werking en persistentie
Terbinafine grijpt eerder in dezelfde keten in. Het remt het squaleen-epoxidase, het schimmelenzym dat squaleen omzet in squaleenepoxide. Twee gevolgen tellen op: ergosterol wordt niet langer gevormd, en squaleen hoopt zich in de schimmelcel op tot een toxisch niveau. Deze ophoping doodt de schimmel in plaats van haar enkel te beletten te groeien. Terbinafine is dus fungicide voor dermatofyten, waar de azolen fungistatisch zijn.
Het is ditzelfde enzym dat de hierboven beschreven mutaties wijzigen, wat verklaart waarom een door doelwitmutatie verworven resistentie terbinafine treft en de azolen spaart. Dit voorbehoud geldt niet voor effluxresistenties, die verschillende klassen van moleculen zonder onderscheid uitscheiden en de azolen dus niet noodzakelijk sparen.
2.3 Griseofulvine: restplaats en beperkingen
Griseofulvine is een fungistatisch antibioticum geproduceerd door Penicillium griseofulvum. Het bindt aan de intracellulaire microtubuli van de dermatofyt en blokkeert de polymerisatie ervan, waardoor de mitose in de metafase stilvalt. Het bereikt de cellen die de keratinevoorlopers vormen en verbindt zich daar met de keratine van de huidaanhangsels. Het metabolisme is grotendeels hepatisch en de uitscheiding overwegend renaal. Het spectrum beperkt zich tot dermatofyten, hoofdzakelijk Microsporum spp. en Trichophyton spp. (ANSES-ANMV, 2026).
De darmresorptie is matig en hangt af van de vetten in de maaltijd, wat toediening met een vetrijk voer noodzakelijk maakt. De verderop uitgewerkte veiligheidsbeperkingen hebben het overal waar azolen beschikbaar zijn naar de tweede plaats verwezen.
3 Systemische behandeling
3.1 Itraconazol
Itraconazol is vandaag de molecule van eerste keuze bij de kat. De Europese feliene aanbevelingen gaven het die plaats reeds (Frymus et al., 2013), en de latere gegevens hebben haar daar gelaten.
De voor de kat bestemde orale oplossing met 10 mg/ml, ITRAFUNGOL ND (Laboratorium Virbac), is in Frankrijk geregistreerd onder de op 9 augustus 2004 verleende, onbeperkte vergunning FR/V/7569820, voor de behandeling van dermatofytosen door Microsporum canis bij de kat. Zij wordt toegediend in een dosis van 5 mg/kg eenmaal daags, dus 0,5 ml/kg, om de week, gedurende drie cycli: toediening in week 1, 3 en 5, onderbreking in week 2 en 4 (ANSES-ANMV, 2026).
Het product wordt niet toegediend aan katten met lever- of nierinsufficiëntie, noch aan drachtige of zogende dieren. Bij de kat zijn twee interacties waargenomen: de combinatie met cefovecine gaf braken en lever- en nierstoornissen, die met tolfenaminezuur een motorische incoördinatie, een fecale retentie en dehydratatie. Daarbij komen de in de humane geneeskunde beschreven interacties via cytochroom P450 3A4 en P-glycoproteïnen, die de plasmaconcentraties van midazolam, ciclosporine, digoxine, chlooramfenicol, ivermectine en methylprednisolon verhogen (ANSES-ANMV, 2026).
De samenvatting van de productkenmerken vermeldt dat met itraconazol behandelde katten andere dieren, honden inbegrepen, kunnen blijven besmetten zolang de mycologische genezing niet is bereikt. De registratiestudie omvatte 80 met M. canis besmette katten, verdeeld over de itraconazoloplossing en een placebo, zonder enige begeleidende lokale behandeling. Genezing onder de woodlamp, gedefinieerd als het ontbreken van fluorescentie aan de basis en in het midden van de haarschacht, werd bereikt bij 39 van de 40 behandelde katten tegenover 6 van de 40 controledieren, en de tijd tot mycologische genezing was significant korter in de behandelde groep. Bij de twee katten met falen bleven de minimaal remmende concentraties van itraconazol in het gevoelige gebied, wat resistentie als verklaring uitsluit.
Het overzicht van de gepubliceerde studies geeft de te verwachten termijnen: itraconazol met 10 mg/kg eenmaal daags, of volgens het gecombineerde continu-daarna-pulserende schema, genas besmette dieren in 56 tot 70 dagen, terwijl de laagdosisprotocollen van 1,5 tot 3 mg/kg in cycli van 15 dagen één tot drie cycli vergden, dus 15 tot 45 dagen (Moriello, 2004).
Eerdere gegevens onder natuurlijke omstandigheden hadden de werkzaamheid van de molecule reeds aangetoond, bij lagere doses en met minder goede verdraagbaarheid. Van 15 katten met dermatofytose door M. canis, behandeld met oraal itraconazol van 1,5 tot 3 mg/kg eenmaal daags gedurende 15 dagen, genazen er 8 volledig, 6 daarvan na één enkele kuur. Vijf katten braakten of werden anorectisch bij de hoogste doses, wat een geleidelijke dosisverlaging noodzakelijk maakte. Zes van de 15 dieren hadden eerder gefaald onder griseofulvine met 10 mg/kg gedurende 60 dagen (Mancianti et al., 1998).
Het gecombineerde continu-daarna-pulserende schema werd bij 9 katten onderzocht: itraconazol met 10 mg/kg eenmaal daags gedurende 28 dagen, daarna om de week in dezelfde dosis, met stopzetting na twee opeenvolgende negatieve kweken. Acht van de 9 katten genazen op dag 56 (Colombo et al., 2001). Het aantal is klein en de auteurs zelf presenteren deze resultaten als voorlopig, in afwachting van een gecontroleerde studie die niet volgde.
De na het in de handel brengen gemelde bijwerkingen zijn, in afnemende meldfrequentie, anorexie, braken, stijging van de leverenzymen, lethargie, gewichtsverlies, icterus, stijging van het totale bilirubine en diarree. Sterfgevallen, euthanasieën inbegrepen, zijn gemeld. De veiligheid bij de drachtige poes is niet vastgesteld. Het gebruik vraagt voorzichtigheid bij nierfunctiestoornis of leverschade.
De vergunning dekt de hond niet, bij wie geen gecontroleerde studie itraconazol als monotherapie heeft onderzocht. Een retrospectieve studie bij 64 met het Trichophyton-mentagrophytes-complex besmette honden in het midden van de Verenigde Staten, over de periode 1997-2020, besluit dat ketoconazol, itraconazol en terbinafine gelijkwaardig lijken als systemische opties in deze indicatie (Pieper et al., 2023). Het bewijsniveau is dat van een retrospectieve reeks, maar het zijn de meest uitgebreide beschikbare hondengegevens.

Bij de hond bestaan weinig systemische behandelingen met een handelsvergunning
De Amerikaanse instantie heeft aanzienlijke resorptieverschillen gemeld tussen magistrale bereidingen van itraconazol naargelang de apotheek die ze maakt, en beveelt aan de diergeneeskundige specialiteit voor te schrijven in plaats van een bereiding.
3.2 Terbinafine
Terbinafine bezit geen diergeneeskundige handelsvergunning en wordt in Frankrijk dus voorgeschreven onder de cascaderegeling, voorzien in artikel L.5143-4 van het wetboek van volksgezondheid.
De cascade gaat alleen open als geen enkel geregistreerd geneesmiddel geschikt is voor de betrokken diersoort en indicatie. Nu is ketoconazol geregistreerd bij de hond en griseofulvine bij zowel hond als kat, beide voor de behandeling van dermatofytosen: de rechtvaardiging voor het gebruik van terbinafine kan dus niet het ontbreken van een geregistreerd alternatief zijn. Dezelfde redenering geldt voor itraconazol bij de hond, dat alleen bij de kat is geregistreerd. De plaats van terbinafine heeft zich niettemin doorgezet, om twee redenen: de fungicide werking en de beschikbaarheid daar waar itraconazol duur is of ontbreekt.
Het stevigste gegeven komt uit een asielstudie bij 85 katten met spontane dermatofytose door M. canis, gevolgd via wekelijkse borstelkweek met telling van de kolonievormende eenheden. De borsteltechniek bestaat erin de hele vacht methodisch te kammen met een nieuwe steriele tandenborstel en vervolgens de borstel zelf op de voedingsbodem uit te strijken: zij verzamelt de besmette haren van het hele lichaam, ook buiten de zichtbare letsels, wat haar superieur maakt aan de letselafname voor zowel screening als opvolging. De telling van de kolonies op de plaat maakt er een semikwantitatief onderzoek van: een afname van het aantal kolonievormende eenheden begeleidt de respons op de behandeling, terwijl een gelijkblijvend of stijgend aantal op een slechte respons wijst. De dieren kregen oraal terbinafine gedurende 14 dagen bij 21 van hen, of 21 dagen bij de overige 64, in beide gevallen met kalkzwavelbaden tweemaal per week en dagelijkse ontsmetting van de ruimten met tot een tiende verdund natriumhypochloriet van 5,5 %. De dosering werd vastgesteld per gewichtsklasse, voor het gemak van het delen van de tablet van 250 mg: een kwart tablet, dus 62,5 mg, voor katten onder 2,8 kg; een halve tablet, dus 125 mg, van 2,8 tot 5,5 kg; een hele tablet van 250 mg boven 5,5 kg, in één dagelijkse gift bij de ochtendmaaltijd. Kalkzwavel werd aangebracht in een verhouding van 236 ml op 3,8 liter water, met de verstuiver, zonder kraag om likken te beletten. De 14 dagen behandelde katten reageerden aanvankelijk, het aantal dieren met positieve kweek daalde binnen twee weken van 21 naar 6, waarna zij terugvielen, 15 van de 21 werden in week 6 opnieuw positief, en zij hadden een vervolgbehandeling met itraconazol 10 mg/kg eenmaal daags gedurende 21 dagen nodig. De 21 dagen behandelde katten reageerden zoals onder 21 dagen itraconazol, met een gemiddelde en mediane tijd tot mycologische genezing van 22,7 dagen, bij individuele waarden tussen 13 en 39 dagen. Mycologische genezing was daar gedefinieerd als twee opeenvolgende negatieve weekkweken. De verdraagbaarheid was goed, en geen enkele kat ontwikkelde mondletsels na het aflikken van het lokale product (Moriello et al., 2013a).
Een oudere reeks onder natuurlijke omstandigheden had een hoge dosis gedurende korte tijd gebruikt: oraal terbinafine met 30 mg/kg eenmaal daags gedurende twee weken bij 15 met M. canis besmette katten, waarvan er 12 tot het einde konden worden gevolgd. Elf van deze 12 dieren genazen volledig, met controles op de laatste behandeldag, na een maand en na drie maanden (Mancianti et al., 1999). Terbinafine werd daar voorgesteld als alternatief voor griseofulvine bij schimmelresistentie of idiosyncratische intolerantie, met snellere genezing en minder recidieven, een voorstel dat de terugtrekking van griseofulvine vandaag actueel maakt.
De hondengegevens zijn schaarser maar overeenstemmend. De reeds genoemde retrospectieve reeks van 64 honden plaatst terbinafine op dezelfde hoogte als ketoconazol en itraconazol (Pieper et al., 2023). Een vergelijkend werk bij 35 dieren, honden en katten samen, zette griseofulvine en terbinafine tegenover elkaar volgens drie protocollen: griseofulvine met 50 mg/kg eenmaal daags was werkzaam in 100 % van de gevallen, zonder bijwerkingen, met een gemiddelde genezingstijd van 41 dagen; terbinafine met 5 mg/kg eenmaal daags was werkzaam in 81,3 % van de gevallen, zonder bijwerkingen, met een gemiddelde tijd van 21 dagen; bij 20 mg/kg was de werkzaamheid vergelijkbaar maar liep de tijd op tot 33 dagen en traden bijwerkingen op bij 16,6 % van de dieren, braken, diarree, stijging van de transaminasen en van de alkalische fosfatasen (Balda et al., 2007). De auteurs besluiten dat terbinafine een goed therapeutisch alternatief vormt, maar dat griseofulvine naar hun oordeel het middel van eerste keuze blijft bij hond en kat, een standpunt dat vermeld moet worden, ook al heeft de Franse beschikbaarheid het sindsdien moeilijk te volgen gemaakt.
Deze twee reeksen spreken elkaar niet tegen: de eerste betreft asieldieren, de tweede katten van eigenaars, en de herinfectiedruk is niet dezelfde. Het gegeven dat het voorschrift bepaalt is echter dat van Moriello: 14 dagen volstaan niet.
Twee eerdere experimentele studies hadden de dosis reeds afgebakend. Uitgevoerd bij 27 experimenteel met M. canis besmette katten toonden zij aan dat 10 tot 20 mg/kg niet volstond en dat 30 tot 40 mg/kg nodig was (Kotnik et al., 2001; Kotnik en Černe, 2006). Deze dieren werden in het laboratorium geïnoculeerd, wat minder weegt dan een reeks onder natuurlijke omstandigheden, maar de drempel die eruit volgt stemt overeen met die van het overzicht.
Het overzicht van de gepubliceerde studies geeft de spreiding van de werkelijk gebruikte doses en termijnen, honden en katten samen: er zijn terbinafinedoses van 5 tot 40 mg/kg gebruikt, waarbij doses boven 20 mg/kg nodig waren om mycologische genezing te bereiken, en het aantal behandeldagen tot genezing liep uiteen van 21 tot meer dan 126 dagen (Moriello, 2004). Deze spreiding verbiedt de eigenaar een duur aan te kondigen en verplicht de kweken te volgen.
Honderdvijfenzestig Europese egels met spontane dermatofytose door Trichophyton erinacei werden gedurende 28 dagen verdeeld over oraal itraconazol en terbinafine. De percentages mycologische genezing bedroegen 36,6 % op dag 14 en 65,9 % op dag 28 onder itraconazol, tegenover 92,8 % en 98,8 % onder terbinafine (Bexton et al., 2016). Het aantal is groot en de studie gerandomiseerd, maar de diersoort en de verwekker verschillen van de onze: het resultaat suggereert een superioriteit van terbinafine bij dermatofytosen door Trichophyton, het laat zich niet ongewijzigd overzetten op feliene M.-canis-infecties.
3.3 Ketoconazol
Ketoconazol is in Frankrijk het enige azool met een diergeneeskundige handelsvergunning in deze indicatie bij de hond. Griseofulvine bezit er eveneens een, maar behoort tot een andere klasse. Twee specialiteiten in tabletten van 200 mg zijn geregistreerd: KETOFUNGOL ND (Laboratorium Elanco, vergunning FR/V/0086228 verleend in 1983) en FUNGICONAZOL ND (Laboratorium Dechra). De indicatie noemt uitdrukkelijk de infecties door Microsporum canis, Microsporum gypseum en Trichophyton mentagrophytes bij de hond. De dosering bedraagt 10 mg ketoconazol per kg lichaamsgewicht per dag, dus één tablet van 200 mg per 20 kg, gedurende drie tot vier weken, bij voorkeur toe te dienen bij de maaltijd om een maximale resorptie te bereiken (ANSES-ANMV, 2026).
De molecule wordt niet gebruikt bij dieren met leverinsufficiëntie. De onschadelijkheid bij dracht of lactatie is niet vastgesteld, en studies bij proefdieren hebben teratogene en embryotoxische effecten aangetoond: het gebruik tijdens de dracht wordt dus niet aanbevolen. Zij wordt niet gelijktijdig toegediend met antacida of antihistaminica, die de resorptie wijzigen, noch met anticoagulantia. De samenvatting van de productkenmerken vermeldt bovendien dat herhaald gebruik van ketoconazol, zij het zelden, een kruisresistentie tegen de overige azolen kan opwekken.
Deze beperkingen, samen met een minder goede verdraagbaarheid dan die van itraconazol, verklaren waarom ketoconazol zijn plaats als eerste keuze verloren heeft, terwijl het bij de hond het enige geregistreerde azool blijft.
3.4 Griseofulvine
Griseofulvine wordt bij hond en kat toegediend in een dosis van 20 mg per kg lichaamsgewicht per dag, dus één gram oraal poeder per 5 kg door het rantsoen gemengd, gedurende drie tot vier opeenvolgende weken (ANSES-ANMV, 2026).
Zij wordt allereerst voorgeschreven op grond van haar veiligheidsbeperkingen. De molecule is namelijk teratogeen. Zij wordt dus niet toegediend aan drachtige dieren, noch aan dieren jonger dan 12 weken. Zij wordt niet gegeven aan een dier met een leveraandoening. Zij vraagt bijzondere voorzichtigheid bij de met het feliene immunodeficiëntievirus besmette kat, wegens het risico op iatrogene neutropenie. Bij overdosering wordt levertoxiciteit gezien, en bij de kat zijn zeldzame gevallen van neurotoxiciteit beschreven. Wie het product toedient mag niet zwanger zijn, en wie overgevoelig is voor griseofulvine moet elk contact met het geneesmiddel vermijden.
Griseofulvine met 50 mg/kg genas besmette dieren in 41 tot 70 dagen (Moriello, 2004). Deze dosering overschrijdt die van de Franse vergunning, vastgesteld op 20 mg/kg, wat aan de voorschrijver gemeld moet worden. Het verschil telt, want onderdosering is de eerste oorzaak van recidief.
De samenvatting van de productkenmerken beveelt ten slotte aan de ruimten gelijktijdig te ontsmetten.
3.5 Vergeleken verdraagbaarheid en laboratoriumopvolging
De laboratoriumopvolging richt zich even zeer naar het behandelde dier als naar de molecule. Bloedbeeld en trombocytentelling worden dringend aanbevolen bij alle katten onder griseofulvine, en in het bijzonder bij de pers, de abessijn en de siamees (Miller et al., 2013). Gezien het profiel van de onder itraconazol gemelde bijwerkingen, stijging van de leverenzymen, icterus, stijging van het bilirubine, is een levercontrole eveneens aangewezen zodra de behandeling aansleept of het dier anorexie of lethargie vertoont.
Terbinafine onderscheidt zich door zijn verdraagbaarheid. In de asielreeks werd het door 85 dieren goed verdragen (Moriello et al., 2013a). In een verslag over twee 12 tot 14 weken behandelde katten werd bij één van hen enkel een lichte tot matige lethargie gezien, zonder andere bijwerkingen of veranderingen van de bloedwaarden (Nuttall et al., 2008). Braken en aangezichtsjeuk zijn bij de kat echter gemeld.
3.6 Samenvatting van het systemische voorschrift
De over de vorige onderdelen verspreide gegevens komen samen in Tabel 1, die voor elke molecule haar Franse status, de vastgestelde dosering, het ritme, de verwachte duur en de vereiste bewaking weergeeft.
Tabel 1. Systemische antimycotica bij dermatofytose van hond en kat: status in Frankrijk, doseringen en bewaking
|
Molecule |
Status in Frankrijk |
Diersoorten |
Dosering |
Ritme en duur |
Bewaking |
|
Itraconazol |
Orale oplossing 10 mg/ml, Franse diergeneeskundige vergunning bij de kat (FR/V/7569820); buiten vergunning bij de hond |
Kat (vergunning); hond (cascade) |
5 mg/kg, dus 0,5 ml/kg (vergunning); 10 mg/kg (gepubliceerde protocollen); 1,5 tot 3 mg/kg (laagdosisprotocol) |
Om de week, 3 cycli; of 28 dagen continu, daarna om de week; of cycli van 15 dagen, 1 tot 3 cycli. Genezing in 56 tot 70 dagen, of 15 tot 45 dagen bij lage dosis |
Leverenzymen, bilirubine; anorexie en braken frequent bij hoge doses. Gecontra-indiceerd bij lever- of nierinsufficiëntie, dracht en lactatie. Interacties: cefovecine, tolfenaminezuur, CYP3A4-substraten |
|
Terbinafine |
Geen diergeneeskundige vergunning, voorschrift via cascade |
Kat en hond |
62,5 mg onder 2,8 kg; 125 mg van 2,8 tot 5,5 kg; 250 mg daarboven. Gepubliceerde doses van 5 tot 40 mg/kg, boven 20 mg/kg voor mycologische genezing |
Eenmaal daags bij de maaltijd, minstens 21 dagen, 14 dagen geven kans op recidief. Genezing in 21 tot meer dan 126 dagen |
Goede verdraagbaarheid; braken en aangezichtsjeuk bij de kat; braken, diarree en stijging van de transaminasen en alkalische fosfatasen bij 16,6 % van de dieren onder 20 mg/kg |
|
Ketoconazol |
Tabletten van 200 mg, diergeneeskundige vergunning |
Hond |
10 mg/kg |
Eenmaal daags bij de maaltijd, 3 tot 4 weken per cyclus |
Leverfunctie; gecontra-indiceerd bij leverinsufficiëntie en dracht; niet combineren met antacida, antihistaminica en anticoagulantia |
|
Griseofulvine |
Oraal poeder 100 mg/g, diergeneeskundige vergunning; enige nog verkrijgbare vorm |
Hond, kat, paard |
20 mg/kg (vergunning); 50 mg/kg in de gepubliceerde studies |
Eenmaal daags in een vetrijke maaltijd, 3 tot 4 weken per cyclus. Genezing in 41 tot 70 dagen |
Bloedbeeld en trombocyten, in het bijzonder bij de pers, de abessijn en de siamees; teratogeen; voorzichtigheid bij de FIV-positieve kat |
De in de tabel vermelde duur is die van één cyclus of de waargenomen orde van grootte, nooit een behandelduur: die richt zich naar de kweken, volgens het in 7.2 uiteengezette criterium.
3.7 Lufenuron: een verlaten spoor
Lufenuron, een remmer van de chitinesynthese, wekte een hoop die de gegevens niet hebben bevestigd. Anekdotisch is werkzaamheid gemeld bij het konijn in een dosis van 135 mg/kg oraal om de vier weken, maar studies bij andere diersoorten hebben die niet kunnen aantonen (Miller et al., 2013). Geen enkel op de huidige gegevens gebaseerd protocol gebruikt het, en het heeft geen plaats in de behandeling van dermatofytose bij hond en kat.
4 Lokale behandeling
4.1 Waarom het lokale middel niet facultatief is
Dermatofytose is een infectie van het haar en niet enkel van het huidoppervlak. De besmette haren zijn niet alle aangetast, zodat een ogenschijnlijk gezonde vacht arthrosporen draagt. Deze sporen laten los, besmetten de omgeving en herinfecteren het dier en zijn omgeving. Het zichtbare letsel behandelen laat dus de bron van de verspreiding intact.
De consensusaanbevelingen eisen het gelijktijdige gebruik van een oraal systemisch antimycoticum en van de lokale ontsmetting van de vacht (Moriello et al., 2017). Een uitsluitend op het letsel aangebrachte lokale behandeling is dus geen behandeling van dermatofytose: het plaatselijke middel komt bovenop de behandeling van het hele lichaam. De literatuur zelf plaatst de plaatselijk aan te brengen producten onder de term hulpmiddelen (Moriello, 2020).
Evenzo herinnert de bijsluiter van de voor de kat bestemde itraconazolspecialiteit eraan dat de molecule niet sporicide is, en beveelt zij om die reden een behandeling van de vacht en van de omgeving aan om het zoönotische potentieel en de omgevingsbesmetting te verminderen.
De registratiestudie van itraconazol bereikte echter de genezing van 39 van de 40 katten zonder enige lokale behandeling, en de reeksen van Mancianti zijn eveneens systemische monotherapieën. De tegenstelling is slechts schijnbaar: een systemisch antimycoticum alleen volstaat om de mycologische genezing van het behandelde dier te bereiken, en dat is wat deze studies aantonen. Het maakt de vacht tijdens de behandeling daarom nog niet onbesmettelijk, aangezien het niet sporicide is: de reeds op de haren aanwezige arthrosporen blijven de omgeving en de mensen rond het dier besmetten. De lokale behandeling beoogt dus niet de genezing van het individu maar het stoppen van de verspreiding, en op die grond acht de consensus beide wegen onscheidbaar. De verkorte formule «zonder lokaal middel geen genezing» is onjuist; de juiste formulering is dat het dier zonder lokaal middel geneest maar zijn omgeving blootgesteld blijft, en dat het risico op herinfectie vanuit een opnieuw besmet milieu onverminderd bestaat.
4.2 Toepassing op het hele lichaam: vergeleken persistentie van de werkzame stoffen
Het werk dat de producten voor toepassing op het hele lichaam onderscheidt, is een in-vitrostudie op haren van natuurlijk besmette kittens, die van 14 producten zowel de onmiddellijke als de resterende activiteit na 24, 48 en 72 uur heeft gemeten (Moriello, 2020). Naast de klassieke test op een suspensie van geïsoleerde sporen werden tandenborstels beladen met hele besmette haren herhaaldelijk behandeld tot negatieve kweken werden verkregen.
Drie producten werden beoordeeld voor toepassing op het hele lichaam. Kalkzwavel en enilconazol vertoonden een resterende activiteit; de shampoo met miconazolnitraat 2 % en chloorhexidine 2 % vertoonde er geen, wat de auteurs van een uitgespoeld product verwachtten. De gemeten persistentie was na 24, 48 en 72 uur vergelijkbaar voor elk van de producten die haar bezaten. De auteurs leiden daaruit de aanbeveling af van een tweewekelijkse toepassing van enilconazol en kalkzwavel.
Een gerandomiseerde non-inferioriteitsstudie bij 76 asielkatten heeft sindsdien drie producten voor toepassing op het hele lichaam vergeleken, kalkzwavel, shampoo met miconazol en chloorhexidine, en waterstofperoxide, en besluit tot de superioriteit van kalkzwavel (DeTar et al., 2025). Het is het hoogste beschikbare bewijsniveau over de lokale behandeling van de vacht, en het wijst juist het product aan dat in Europa niet toegankelijk is.
Kalkzwavel komt met geen enkel in de Europese Unie geregistreerd diergeneesmiddel overeen: het is hier onbereikbaar terwijl het de hele Noord-Amerikaanse literatuur draagt, waar het wordt gebruikt in een verhouding van 8 ounces per gallon, dus een verdunning van 1:16, ongeveer 60 ml per liter (Miller et al., 2013; Moriello, 2004). Enilconazol is in Frankrijk beschikbaar en wordt gebruikt na verdunning van één volume geconcentreerde oplossing in vijftig volumes lauw water, dus een eindconcentratie van 2 mg/ml. De bijsluiter vermeldt dat de eerste toepassing op het hele lichaam gebeurt, om de subklinische letsels te bereiken (ANSES-ANMV, 2026). Van de twee gevalideerde producten met persistentie beschikt de Franse dierenarts dus enkel over enilconazol.
Het overzicht van de gepubliceerde studies had reeds dezelfde drie producten aangewezen als consequent antimycotisch op geïsoleerde besmette haren en in gecontroleerde of veldstudies: kalkzwavel verdund tot 1:16, enilconazolspoelingen van 0,2 % en de shampoo met miconazol 2 % en chloorhexidine 2 %, één- tot tweemaal per week toegepast (Moriello, 2004). Overzicht en persistentiemetingen stemmen overeen, en onderbouwen de tweewekelijkse toepassing.
De shampoo met miconazol en chloorhexidine behoudt ondanks het ontbreken van persistentie haar volle plaats: zij zorgt voor een eenmalige ontsmetting van de vacht, niet voor een verlengde bescherming. Het door het overzicht van de gepubliceerde studies aangehouden ritme is één tot twee toepassingen per week (Moriello, 2004); de werkelijke frequentie richt zich vooral naar wat het dier aan baden verdraagt. Een recente vergelijkende studie bij 16 katten zette een shampoo met etherische limoenolie tegenover de klassieke formulering met miconazol en chloorhexidine 2 %, waarbij beide groepen daarnaast itraconazol 5 mg/kg kregen volgens een pulserend schema om de week gedurende 56 dagen. Op dag 56 verscheen geen verschil tussen de groepen bij cytologisch onderzoek, direct haaronderzoek en woodlamp, en beide verlaagden significant de totale letselscore, die de uitgebreidheid en de ernst van de letsels samenvat, en de schimmelscore, die de hoeveelheid waargenomen schimmelelementen weergeeft, reeds vanaf dag 28 (Chuenngam en Chermprapai, 2026). Het aantal is klein en beide groepen kregen een systemische behandeling, wat verbiedt het resultaat aan het lokale middel alleen toe te schrijven.
4.3 De kwestie van het scheren
Het scheren blijft omstreden, en er moeten twee vaak verwarde situaties worden onderscheiden.
Bij het kortharige gezelschapsdier met weinig uitgebreide letsels legt geen enkel gegeven het op. Bij de langharige kat en in groepshuisvesting hoort het bij de vastgelegde protocollen: de klassieke aanbeveling betreft het volledig scheren van de vacht van alle kweekpositieve katten en van alle dieren met letsels, snorharen inbegrepen, in een gemakkelijk te ontsmetten ruimte, waarbij degene die scheert wegwerpbescherming draagt, de besmette haren worden verbrand of in zakken voor biologisch afval gedaan en vóór verwijdering geautoclaveerd, en de handeling maandelijks wordt herhaald tot de infectie is uitgeroeid (Miller et al., 2013).
Het chirurgisch kaal scheren wordt vermeden: de microtraumata ervan bevorderen de uitbreiding van de letsels.
5 Ontsmetting van de omgeving
5.1 Overleving van de arthrosporen en wat werkelijk besmet
De in de omgeving aanwezige arthrosporen blijven 12 tot 24 maanden infectieus. De besmetting bereikt hoge waarden in huishoudens met besmette kittens: tot 1 000 arthrosporen per vierkante meter zijn gemeten in woningen met door M. canis besmette katten (Miller et al., 2013). Deze cijfers komen uit één enkele, oude en sindsdien niet bijgewerkte bron.
De besmette omgeving vertekent namelijk de controlekweken. Een genezen dier dat in niet gesaneerde ruimten leeft, geeft positieve kweken door louter passief dragen van sporen in de vacht, zonder besmet te zijn. Dat is de eerste reden om te ontsmetten, nog vóór het voorkomen van herinfectie.
5.2 Mechanische reiniging
De voor het publiek bestemde literatuur herhaalt dat een woning niet te ontsmetten valt. Dat is onjuist.
In totaal werden 70 opvanggezinnen die gedurende wisselende perioden door M. canis besmette katten hadden gehuisvest, over tien jaar gevolgd. De toegepaste werkwijze was eenvoudig: verwijderen van het grove vuil uit de door de katten gebruikte ruimten, reinigen van de oppervlakken met in de handel verkrijgbare huishoudreinigers, naspoelen, daarna ontsmetten van de harde oppervlakken met tot een honderdste verdund huishoudbleekwater of met versneld waterstofperoxide, een formulering van waterstofperoxide met oppervlakteactieve stoffen en chelatoren die de activiteit en de stabiliteit verhogen, in Noord-Amerika gangbaar als gebruiksklare oppervlakteontsmettingsmiddelen. Achtendertig huishoudens waren volledig gesaneerd na één enkele reiniging na het vertrek of de genezing van de kat. Bij de overige werd ontsmetting bereikt na één extra reiniging in 28 gevallen, twee in 2 gevallen, drie in 1 geval. Eén enkel huishouden kon niet worden gesaneerd, waarbij het opvanggezin zelf erkende de werkwijze niet te hebben gevolgd. Er werd geen overdracht op andere dieren of op personen waargenomen (Moriello, 2019b).
Het ontsmetten van een woning is niet moeilijk, en het ontsmettingsmiddel doodt wat de mechanische reiniging niet heeft weggenomen. De consensusaanbevelingen plaatsen de fysieke reiniging overigens op de eerste plaats onder de middelen voor ontsmetting van blootgestelde ruimten (Moriello et al., 2017).
5.3 Vergeleken werkzaamheid van ontsmettingsmiddelen op harde oppervlakken en textiel
Acht in de handel verkrijgbare producten werden rechtstreeks getest tegen infectieuze sporen van Microsporum en van Trichophyton uit kattenharen, met een contacttijd van 10 minuten en drie proeven van toenemende moeilijkheid (Moriello et al., 2013b).
In de klassieke suspensietest remden bij een verdunning van 1:10 alle 8 producten de groei volledig. Op besmet weefsel remden 4 van de 8 producten de groei van beide verwekkers volledig na het aanbrengen van één milliliter of één verstuiving; alle 8 producten slaagden daar echter in na vijf milliliter of vijf verstuivingen. De aangebrachte hoeveelheid telt dus meer dan de molecule: het krachtig verwijderen van het besmette materiaal, gevolgd door een royale toepassing van een gebruiksklaar ontsmettingsmiddel met geclaimde fungicide werking tegen Trichophyton mentagrophytes, vormt een geldig alternatief voor verdund natriumhypochloriet.
Tot een tiende verdund bleekwater blijft de goedkope en overal beschikbare referentie, en komt voor in de klassieke protocollen voor oppervlaktereiniging (Miller et al., 2013).
Op het etiket moet worden gezocht naar de claim van een aangetoonde fungicide werking tegen Trichophyton mentagrophytes, de soort die de genormeerde proeven als testorganisme voor dermatofyten hanteren.
Het rookmiddel op basis van enilconazol nam een aparte plaats in in de Franse protocollen voor groepshuisvesting; de terugtrekking ervan laat de dierenarts zonder gelijkwaardig middel, en verplicht de inspanning te verleggen naar mechanische reiniging en oppervlakteontsmetting.
5.4 Textiel, ligplaatsen en trimmateriaal
Het textiel bundelt de moeilijkheid, en daarop was de vorige proef het strengst. De aangebrachte hoeveelheid ontsmettingsmiddel bepaalt daar het resultaat, waarbij één enkele verstuiving voor de helft van de geteste producten onvoldoende bleek (Moriello et al., 2013b).
Het trimmateriaal zorgt voor passief transport van de sporen van het ene dier naar het andere. Scheermachines, borstels en kammen worden na elk dier gereinigd en ontsmet, en de scheerruimte wordt zo gekozen dat zij gemakkelijk te ontsmetten is (Miller et al., 2013).
5.5 Welke boodschappen aan de eigenaar meegeven
De eigenaar moet drie boodschappen onthouden.
De eerste is geruststellend en onderbouwd: ernstige complicaties van overdracht van dier op mens zijn uitzonderlijk (Moriello et al., 2017), en het saneren van een woning is haalbaar, 38 van de 70 gevolgde huishoudens lukte dat met één enkele reiniging (Moriello, 2019b). Wie gelezen heeft dat ringworm onmogelijk uit een huis te verwijderen is, moet het tegendeel horen.
De tweede betreft de blootstelling. Menselijke letsels van dierlijke oorsprong zitten meestal op de plekken die het dier raken, armen, hoofdhuid, romp (Miller et al., 2013). De meest blootgestelde personen in een huishouden zijn zij die het dier het meest hanteren, en ernstige vormen worden gezien bij personen met een verzwakkende of immuunonderdrukkende ziekte, alsook bij ouderen (Miller et al., 2013). Het dragen van handschoenen bij lokale toepassingen, het wassen van de handen na contact en het vermijden van een gedeeld bed vormen de kern van de preventie. Daaraan moet worden toegevoegd dat de samenvattingen van de productkenmerken het hanteren van griseofulvine door een zwangere vrouw uitsluiten, en het aanbrengen van enilconazol zonder oog- en kledingbescherming, aangezien de geconcentreerde emulsie huid- en oogirriterend is (ANSES-ANMV, 2026).
De derde boodschap is die van de doorverwijzing: de dierenarts stelt geen diagnose bij de mens en behandelt hem niet, en bij een verdacht letsel bij een gezinslid verwijst hij naar de huisarts, een aanbeveling die de bijsluiter van de itraconazolspecialiteit zelf formuleert. De humane medische context is overigens in dezelfde zin veranderd als de diergeneeskundige: het stopzetten van de verkoop van griseofulvine heeft de Franse wetenschappelijke verenigingen ertoe gebracht de aanpak van hoofdhuiddermatofytose bij kinderen met spoed te herzien (ANSM, 2021).
6 Aanpak in groepshuisvesting
6.1 Screening en selectie van de dieren
In catteries en huishoudens met meerdere katten is Microsporum canis betrokken bij vrijwel alle infecties, in het bijzonder bij de langharige rassen. Microsporum gypseum en Trichophyton mentagrophytes waren slechts af en toe verantwoordelijk wanneer de katten in overdekte gaasrennen of buitenrennen werden gehouden (Miller et al., 2013).
De screening berust op de borstelkweek met tandenborstel of steriel stukje tapijt, uitgevoerd bij alle katten van de cattery en bij alle dieren van het huishouden. In catteries waar de M.-canis-infectie al meer dan 60 dagen aanwezig is, wordt de dermatofyt uit de borstelafname van alle katten geïsoleerd, of zij nu klinische letsels vertonen of niet. Met andere woorden, na die termijn verliest het onderscheid tussen gezonde en besmette dieren elke zin en wordt de behandeling collectief.
De vrij bevonden dieren, zonder letsels en met negatieve kweek, worden gewassen met een shampoo met miconazol en chloorhexidine of ketoconazol en chloorhexidine, indien beschikbaar, dan wel met enilconazol, en vervolgens in quarantaine geplaatst in een aparte ruimte. Zij moeten opnieuw worden gecontroleerd, want zij kunnen bij de tweede kweek besmet blijken (Miller et al., 2013).
6.2 Protocol voor groepsbehandeling
Er zijn drie benaderingen beschreven, en de keuze ertussen is even zeer een zaak van de bedrijfseconomie van de cattery als van de geneeskunde (Miller et al., 2013).
De eerste bestaat erin de cattery volledig leeg te maken, de installaties te ontsmetten en ze daarna opnieuw te bevolken met dieren die negatief zijn in 3 opeenvolgende borstelkweken met 15 dagen tussenpoos. De meeste fokkers wijzen dit af wegens het verlies van hun genetisch materiaal.
De tweede behandelt de gehele kolonie en de installaties, met geschikte lokale middelen, systemische behandeling en sanering van de omgeving, met isolatie van de kolonie en stopzetting van fokkerij en tentoonstellingen. Dit is de meest gekozen optie.
De derde behandelt enkel de kittens, en komt alleen in aanmerking in bedrijven die kittens voor de gezinsmarkt voortbrengen.
Welke optie ook wordt gekozen, het uitroeien van de infectie veronderstelt de scheiding van dragers en niet-dragers, de behandeling of afvoer van de besmette dieren, en maatregelen die herbesmetting van de ruimten voorkomen. Het vereist een krachtige systemische en lokale behandeling, het stopzetten van fokprogramma’s en tentoonstellingen, de isolatie van de kolonie, de ontsmetting van de omgeving, en de screening gevolgd door isolatie van elke nieuwkomer. Deze programma’s stuiten op de kosten van de zorg, het verlies aan inkomsten, de tijd die zij vergen, en de vrees voor blijvende reputatieschade van de cattery, een hindernis die de auteurs als de moeilijkst te nemen beschrijven.
In de praktijk gaat het scheren van alle positieve dieren aan de behandeling vooraf, worden de lokale baden idealiter tweemaal per week toegepast, en wordt de systemische behandeling ingesteld bij alle niet-drachtige poezen en bij kittens ouder dan 12 weken.
6.3 Bewaking en opheffing van de maatregelen
De bewaking volgt hetzelfde beginsel als in de praktijk, met een strengere eis: drie opeenvolgende negatieve kweken worden aanbevolen in huishoudens met meerdere katten en in catteries, daar waar er twee volstaan voor een alleenstaand dier (Miller et al., 2013).
De opheffing van de maatregelen wordt dus niet beslist op het uiterlijk van de dieren maar op de reeks kweken, en veronderstelt dat de omgeving is gesaneerd, zonder hetgeen de controles positief zullen blijven door passief dragen.
7 Stopcriteria en definitie van genezing
7.1 Klinische en mycologische genezing
De meeste schijnbare mislukkingen komen voort uit verwarring tussen beide. De schimmelkweken kunnen na de klinische genezing nog verscheidene weken positief blijven (Miller et al., 2013). De behandeling stoppen bij het verdwijnen van de letsels komt er dus op neer haar te vroeg te stoppen.
Het stopcriterium is mycologisch. De behandeling wordt voortgezet tot volledige verdwijning van de klinische verschijnselen en tot de schimmel niet langer uit de vachtkweken wordt geïsoleerd.
Een diagnose stellen en een genezing vaststellen zijn twee verschillende handelingen. Geen enkele test overtreft de andere om de ziekte vast te stellen, waar woodlamp, direct onderzoek en kweek elkaar aanvullen; om de genezing vast te stellen geldt alleen de kweek: enkel zij toont dat het haar geen levende schimmel meer draagt.
7.2 Opeenvolgende kweken: hoeveel, in welk ritme
De behandeling wordt voortgezet tot ten minste twee opeenvolgende negatieve schimmelkweken zijn verkregen, met een week tussenpoos afgenomen met de borsteltechniek, waarbij drie opeenvolgende kweken worden aanbevolen in huishoudens met meerdere katten en in catteries. Dat vergt gewoonlijk 4 tot 20 weken behandeling (Miller et al., 2013).
Een recente retrospectieve studie verlicht deze eis bij het overigens gezonde gezelschapsdier. Bij 371 voor dermatofytose door M. canis behandelde en wekelijks gekweekte katten was de eerste negatieve kweek bij 335 van hen, dus 90,3 %, aanwijzend voor genezing, met een zeer goede overeenstemming tussen het criterium van één kweek en dat van twee kweken, kappacoëfficiënt 0,903. De 36 katten bij wie de eerste negatieve kweek de genezing niet aangaf, vielen uiteen in twee groepen: 19 gezonde dieren bij wie de vroege negativering op een bemonsteringsfout berustte, en 17 dieren met een gelijktijdige aandoening, die er het langst over deden om te genezen, gemiddeld 11 weken, van 8 tot 28 weken, waarbij de genezing pas optrad na het oplossen van het bijkomende probleem (Stuntebeck et al., 2020). De auteurs besluiten dat bij een overigens gezonde kat, waarvan de eigenaar de instructies voor reiniging, lokale en systemische behandeling goed heeft gevolgd, twee opeenvolgende negatieve kweken niet nodig zijn.
Dit resultaat ontslaat niet van de tweede kweek bij het overigens zieke dier, noch in groepshuisvesting; het staat wel toe ervan af te zien bij de kat van een eigenaar in goede algemene toestand, op voorwaarde dat de afnametechniek onberispelijk is, waarbij het voornaamste voorbehoud van de auteurs het risico op een fout-negatief door onvoldoende afname betreft.
De in de handelsvergunningen vastgelegde termijnen zijn echter gesloten en kort, drie cycli voor de itraconazoloplossing, drie tot vier weken voor ketoconazol zoals voor griseofulvine, terwijl het hier uiteengezette stopcriterium 4 tot 20 weken vraagt. Het mycologische criterium gaat voor: de vergunningsduur legt het schema van één cyclus vast, zij bepaalt niet het einde van de behandeling. De registratiestudie van itraconazol illustreert dit: de 2 katten die na de 3 cycli niet genezen waren, droegen gevoelige stammen, en hun falen vroeg om voortzetting van de behandeling, niet om stopzetting. Wanneer de voorziene cycli zijn uitgeput en de kweek nog positief is, wordt de behandeling dus voortgezet buiten de vergunning, onder de cascaderegeling, na herziening van therapietrouw, dosis, lokale behandeling en sanering van de omgeving.
De nagels vormen een uitzondering: aantasting ervan vraagt een systemisch antimycoticum, doorgaans gedurende 6 tot 12 maanden, of onychectomie (Miller et al., 2013).
7.3 PCR: werkelijke snelheid, frequente fout-positieven, nutteloos bij het opvolgen van genezing
De meest rechtstreekse veldstudie vergeleek een commercieel realtime-PCR-panel met de kweek bij 132 asielkatten met verdachte huidletsels of vermoede blootstelling. Achtentwintig dieren waren kweekpositief voor M. canis en 104 negatief. De PCR identificeerde alle kweekpositieve dieren correct en 92 van de 104 negatieve, dus 12 fout-positieve uitslagen. De sensitiviteit bedroeg 100 % en de specificiteit 88,5 % (Jacobson et al., 2018).
Bij de 17 katten bij wie de mycologische genezing kon worden beoordeeld, bleven echter 14 PCR-positief op het moment van de eerste negatieve kweek, en 11 waren dat nog op het moment van de tweede. De auteurs besluiten dat de PCR niet betrouwbaar is om mycologische genezing vast te stellen.
In deze reeks werd geen enkel fout-negatief waargenomen. Latere en uitgebreidere werken tonen die echter wel. Een bij 52 asielkatten beoordeelde commerciële kwantitatieve PCR-test identificeerde de mycologische genezing slechts correct bij 39 van de 46 behandelde dieren voor de Microsporum-canis-test, dus 84,8 %, en bij 30 van 46 voor de Microsporum-spp.-test, dus 65,2 % (Moriello et al., 2018). Een retrospectieve analyse van 615 honden en katten uit 16 verwijzingspraktijken, en van 667 gepaarde monsters, geeft een globale sensitiviteit van 74,1 % bij een specificiteit van 98,1 %; voor de behandelopvolging alleen bedraagt de sensitiviteit 77,8 % en de specificiteit 92,0 % (Frost et al., 2022). Een reeks van 246 asieldieren geeft vergelijkbare waarden, met een sensitiviteit van 86,1 % (Cheung et al., 2024).
De PCR is namelijk zeer specifiek en weinig sensitief: een positieve uitslag toont de aanwezigheid van schimmel-DNA aan, een negatieve sluit de infectie niet uit. Zij vervangt de kweek niet, noch voor de diagnose noch voor het vaststellen van genezing, en haar geïsoleerde gebruik om een vermoeden uit te sluiten stelt bloot aan het missen van één op de vier besmette dieren. Zowel de diagnose als de genezing berusten op de combinatie van aanvullende onderzoeken (Frost et al., 2022). Haar eigen voordeel blijft de snelheid, van één tot drie dagen, en de frequentie van haar fout-positieven stelt bovendien bloot aan het behandelen van vrije dieren.
In Frankrijk wordt de techniek aangeboden door veterinaire laboratoria, die een uitslag binnen 48 uur aankondigen.
7.4 Woodlamp bij de opvolging
De consensusaanbevelingen hebben de woodlamp overigens in ere hersteld: samen met het directe haaronderzoek heeft zij een goede voorspellende waarde, zowel positief als negatief (Moriello et al., 2017).
Haar gebruik bij de opvolging berust op een nauwkeurig criterium, dat van de registratiestudie van itraconazol bij de kat: genezing onder de woodlamp is gedefinieerd als het ontbreken van fluorescentie aan de basis en in het midden van de haarschacht. Op dat criterium genazen 39 van de 40 behandelde katten, tegenover 6 van de 40 controledieren.
Het voorbehoud betreft de verwekker: slechts een deel van de M.-canis-stammen geeft fluorescentie, en dermatofyten van het geslacht Trichophyton geven er geen. De lamp wijst dus de richting, zij besluit niet, en zij ontslaat niet van de kweek om genezing vast te stellen.
8 Therapiefalen en bijzondere situaties
8.1 Analyse van een falen
Bij een dermatofytose die aansleept of terugkeert is resistentie de laatste hypothese, niet de eerste. Chronische en recidiverende gevallen laten zich gewoonlijk verklaren door vier soorten oorzaken (Miller et al., 2013).
De eerste is de ongeschikte behandeling, en die dekt op zichzelf het leeuwendeel van de mislukkingen: verkeerde molecule, ontoereikende dosering, te korte duur, ontbrekende lokale behandeling, ontbrekend scheren waar het aangewezen was, onbehandelde dieren in het huishouden, niet gesaneerde omgeving. De samenvatting van de productkenmerken van griseofulvine verwoordt het in één zin: bij onderdosering zijn recidieven frequent (ANSES-ANMV, 2026).
De tweede is de onderliggende aandoening: hyperadrenocorticisme, diabetes mellitus, infectie met het feliene leukemievirus of met het feliene immunodeficiëntievirus, tumorproces.
De derde is een andere lopende behandeling, bijvoorbeeld corticosteroïden voorgeschreven tegen jeuk, en de vierde de genetische achtergrond van het dier.
Het zijn dus therapietrouw, dosis en duur die vóór alles moeten worden herzien, en vervolgens de herinfectie vanuit de omgeving of vanuit een onbehandelde soortgenoot.
8.2 Werkelijke resistentie en bepaling van de minimaal remmende concentraties
Resistentie bestaat en is beter gedocumenteerd dan tien jaar geleden. Er waren immers M.-canis-stammen gemeld die resistent waren tegen ketoconazol en fluconazol, en Trichophyton-spp.-infecties bij de hond konden toen al moeilijk te elimineren blijken onder griseofulvine (Miller et al., 2013). De hierboven uiteengezette recente gegevens voegen daar een feliene, door overexpressie van ABC-transporters terbinafineresistente stam aan toe, en een lage maar in grote reeksen gemeten frequentie.
Toch bereikt het therapiefalen tot 40 % van de voor een M.-canis-infectie behandelde patiënten, en het ontbreken van een genormeerde referentiemethode om de gevoeligheid van deze soort te beoordelen vormt de grootste hindernis bij het inschatten van resistentie in niet-reagerende gevallen (Aneke et al., 2018).
De bepaling van de minimaal remmende concentraties stuit dus op drie moeilijkheden. De eerste is methodologisch: de samenhang tussen in-vitroresultaat en klinisch beloop werd enkel waargenomen bij het bebroeden van conidia gedurende drie dagen bij 30 °C, en niet met andere inocula of andere tijden. Onder die nauwkeurige omstandigheden vertoonden stammen van onder itraconazol genezen dieren minimaal remmende concentraties van hoogstens 1 µg/ml, en die van niet-genezen dieren waarden boven 1 µg/ml (Aneke et al., 2020). De tweede is interpretatief: bij hond en kat is geen enkele klinische drempel gevalideerd, en het vaststellen van een drempel voor M. canis wordt als een dringende noodzaak voorgesteld (Liang et al., 2025). De derde betreft de aard zelf van de gemeten activiteit: bij 8 M.-canis-stammen bleken de minimaal fungicide concentraties veel hoger dan de minimaal remmende concentraties, van 2 tot meer dan 32 mg/l voor itraconazol tegenover minder dan 0,03 tot 0,125 mg/l als remmende concentratie, wat het fungistatische karakter van de molecule bevestigt en eraan herinnert dat een lage remmende concentratie niet betekent dat de schimmel wordt gedood (Nojo et al., 2026).
Ten slotte is 30 % terbinafineresistentie gemeld bij dermatofyten geïsoleerd van humane patiënten en van runderen in Iran, met een minimaal remmende concentratie van 16 µg/ml voor een van de soorten (Mohammadifard et al., 2022). De context ligt ver van de onze en de populatie is noch canien noch felien.
In de praktijk is de bepaling van de minimaal remmende concentraties pas gerechtvaardigd nadat de faaloorzaken van de vorige paragraaf zijn uitgesloten. Zij vraagt een gespecialiseerd laboratorium en nauwkeurige technische omstandigheden, en het in te sturen materiaal is de in kweek geïsoleerde stam, niet een wisser. De soortbepaling met een moleculaire methode gaat eraan vooraf, want het is de betrokken soort die richting geeft aan de waarschijnlijkheid van resistentie.
Een 8-jarige niet-gecastreerde spitsreu van 10 kg vertoonde aanhoudende alopecie, schilfering, erytheem en jeuk ondanks verscheidene kuren itraconazol en lokale middelen op basis van miconazol 2 % en terbinafine. De diagnose werd bevestigd met microscopisch onderzoek, kweek en ponsbiopsie. De op de uitslag van het antimycogram gekozen posaconazol gaf een duidelijke klinische verbetering zonder bijwerkingen (Tiwari et al., 2026). Het gaat om een geïsoleerd geval, wat verbiedt er een aanbeveling uit af te leiden; het illustreert daarentegen de te volgen volgorde, identificatie, antimycogram, uitwijkmolecule, en het feit dat een molecule buiten het gebruikelijke repertoire kan aanslaan waar de drie gangbare hebben gefaald.
8.3 Diepe nodulaire vormen en gepredisponeerde rassen
Het dermatofytenpseudomycetoom is een diepe, nodulaire vorm waarbij de schimmel zich in de dermis en de subcutis ontwikkelt binnen een granulomateuze reactie. Het treft bij voorkeur de pers, wat aan een rasgebonden predispositie deed denken zonder dat het mechanisme is opgehelderd.
Twee katten, een pers en een maine coon, vertoonden een gegeneraliseerde dermatofytose met pseudomycetoom door M. canis, waarbij de stam in vitro gevoelig was voor zowel itraconazol als terbinafine. Itraconazol werd bij de ene gestaakt wegens onwerkzaamheid en bij de andere wegens onaanvaardbare bijwerkingen. Beide dieren bereikten een klinische en mycologische genezing na 12 tot 14 weken terbinafine van 26 tot 31 mg/kg om de 24 uur oraal. Bij de maine coon verdwenen de klinische verschijnselen na 7 weken. Bij de pers verkleinden 4 weken aanvullende behandeling met wekelijkse baden van een shampoo met chloorhexidine 2 % en miconazol 2 %, na scheren, het pseudomycetoom met 98 %, waarna het restletsel chirurgisch werd verwijderd. De recidiverende gegeneraliseerde dermatofytose van deze pers werd daarna beheerst met een pulserende behandeling, 26 mg/kg terbinafine om de 24 uur, één week per maand. Bij deze twee katten werd ondanks uitgebreid onderzoek geen enkele predisponerende onderliggende aandoening gevonden (Nuttall et al., 2008).
De nodulaire vorm reageert, maar tegen de prijs van behandelduren die in maanden en niet in weken tellen. En het falen van een azool bij een in vitro gevoelige stam is niet noodzakelijk een resistentie: het kan liggen aan de doordringing van het product in granulomateus weefsel.
8.4 Drachtige of zogende dieren en dieren jonger dan 12 weken
De in Tabel 1 verzamelde contra-indicaties laten een groep zonder systemische behandeling achter. Griseofulvine is teratogeen: zij wordt niet gegeven aan drachtige dieren, noch aan dieren jonger dan 12 weken. Ketoconazol is teratogeen en embryotoxisch bij het proefdier, en het gebruik tijdens de dracht wordt niet aanbevolen. Itraconazol wordt niet gegeven aan de drachtige poes noch aan de zogende poes. Terbinafine heeft geen diergeneeskundige vergunning, en veiligheidsgegevens in deze groepen zijn in de literatuur niet gevonden.
Geen enkele systemische molecule is dus bruikbaar bij de drachtige poes, de zogende poes en de kitten jonger dan 12 weken, dat wil zeggen juist bij de dieren van een cattery in volle fokseizoen, en bij die welke de ernstigste vormen ontwikkelen.
Geen enkele studie heeft onderzocht wat men in deze situatie moet doen. Wat volgt is dus een redenering, geen gepubliceerd gegeven. De behandeling beperkt zich dan tot het lokale en het omgevingsluik, ontsmetting van de hele vacht met een product met resterende activiteit, ontsmetting van de omgeving, isolatie van de aangetaste dieren, waarbij het argument uit paragraaf 1.1 komt: de ziekte geneest spontaan, en het uitstellen van de systemische behandeling tot het spenen of tot het einde van de dracht kost besmettelijke tijd, geen kans op genezing. De beslissing ligt bij de clinicus, geval per geval, door de ernst van de letsels af te wegen tegen het teratogene risico.
8.5 Immuungecompromitteerde dieren
Immuunsuppressie hoort bij de klassieke oorzaken van chroniciteit, in zowel spontane als iatrogene vorm (Miller et al., 2013). Bij de kat legt de co-infectie met het feliene immunodeficiëntievirus bovendien een eigen farmacologische beperking op: griseofulvine wordt daar met voorzichtigheid gebruikt wegens het risico op iatrogene neutropenie (ANSES-ANMV, 2026). Deze beperking verkleint de bruikbare moleculen verder bij precies die dieren waarvan de infectie het hardnekkigst is.
De aanpak bestaat erin de onderliggende aandoening te zoeken vóór de behandeling wordt beschuldigd, het lopende immunosuppressivum zoveel mogelijk te staken, en van meet af aan een langere behandelduur te voorzien dan bij een immuuncompetent dier.
8.6 Bijzonderheden bij de hond
De hond is geen grote kat, en drie verschillen bepalen de aanpak.
Om te beginnen verschilt de verwekker. Ook bij de hond overheerst Microsporum canis, maar het Trichophyton-mentagrophytes-complex neemt er een plaats in die de feliene praktijk nauwelijks kent. Van 90 in Egypte onderzochte honden met huidletsels waren er 47 kweekpositief, met M. canis in 60 % van de isolaties en T. mentagrophytes in 20 % (Zineldar et al., 2025). Daarbij komt een omkering van de besmettingsrichting: een Indiase reeks bij 30 honden isoleerde 14 M. canis, 8 Trichophyton rubrum, 6 M. gypseum en 2 Epidermophyton floccosum, waarbij de frequentie van T. rubrum een overdracht van mens op hond weergeeft (Vadakkoot et al., 2024).
Vervolgens verschilt het beeld. Van 64 met het T.-mentagrophytes-complex besmette honden in het midden van de Verenigde Staten zaten de letsels in 48 % van de gevallen op de neusrug en in 21 % op de kop buiten de oorschelpen. De incidentie was hoger in de groep van de jachthonden, met 43 % van de gevallen, en bij de terriërs, met 20 %. Er werd een seizoensinvloed vastgesteld, met een piek van het optreden van de verschijnselen in oktober (Pieper et al., 2023). Deze topografie in het gelaat en dit rasprofiel verwijzen naar de besmettingsweg: de gravende hond ontmoet de dermatofyt van het knaagdier.
Ten slotte verschilt de behandeling niet. In diezelfde reeks bleken ketoconazol, itraconazol en terbinafine gelijkwaardige systemische opties (Pieper et al., 2023). De hond vraagt dus geen bijzondere molecule, maar verplicht eraan te denken dat Trichophyton-infecties resistent kunnen zijn tegen griseofulvine (Miller et al., 2013), wat de keuze verschuift naar de drie voorgaande moleculen.
Ten slotte werd de eerste vondst van Trichophyton indotineae bij een hond in Afrika gemeld in Egypte (Zineldar et al., 2025).
9 Vaccinatie: stand van zaken
Vaccinatie tegen dermatofytose kent een tegenstrijdigheid: zij heeft gewerkt, maar niet bij hond en kat.
Bij herkauwers wekken vaccins met levende verzwakte schimmelcellen een cellulaire afweerreactie op, die duurzaam beschermt tegen de homologe infectieproef. In Noorwegen en enkele andere landen heeft de systematische vaccinatie tegen dermatofytose bij runderen de ziekte vrijwel uitgeroeid, en is de humane infectie met Trichophyton verrucosum er nagenoeg verdwenen (Lund en Deboer, 2008). In Europa hebben gevriesdroogde vaccins met gemodificeerde levende schimmel het mogelijk gemaakt endemische dermatofytosen bij runderen en bij de vos te beheersen (Miller et al., 2013).
Bij de kat is het vaccin mislukt. Een gedood vaccin tegen M. canis kwam in 1994 op de markt voor de behandeling en de preventie van feliene dermatofytose; de klinische ervaring toonde slechts een beperkt voordeel en het product werd teruggetrokken (Miller et al., 2013).
Bij de laboratoriumkat gaf intradermale injectie van een gedood M.-canis-vaccin onmiddellijke en vertraagde overgevoeligheidsreacties bij dieren met een actieve infectie en bij dieren die daarvan genezen waren, maar niet bij normale, niet-blootgestelde dieren. In placebogecontroleerde studies ontwikkelden de gevaccineerde katten hoge titers anti-M.-canis-immunoglobuline G, vergelijkbaar met die van de natuurlijke infectie, alsook een toename van de lymfocytaire blastogene reacties op het antigeen, zwakker evenwel dan die van de natuurlijke infectie. Ondanks deze immuunrespons ontwikkelden alle katten een dermatofytose zodra zij werden geïnoculeerd of zodra een besmette kat in de kolonie werd gebracht (Miller et al., 2013).
De beschikbare vaccins behoren alle tot de eerste generatie, de wetenschappelijke literatuur is te dun om over hun werkzaamheid en indicaties te besluiten, en de pogingen met subunitvaccins op basis van keratinasen hadden slechts beperkt succes. De weg die openblijft bestaat erin de belangrijkste T-epitopen te bepalen die specifiek een vertraagde overgevoeligheidsreactie kunnen uitlokken, waarbij een sterke respons van het type T-helper 1 de voorwaarde voor bescherming is (Lund en Deboer, 2008). Een voordeel vergelijkbaar met dat bij runderen zou te verwachten zijn indien een veilig en werkzaam vaccin tegen M. canis bij hond en kat beschikbaar kwam, maar dat is het niet.
Hoewel de schimmelvaccins zich niet werkzaam hebben getoond tegen de infectieproef, zijn er niettemin aanwijzingen dat zij nut zouden kunnen hebben in behandelprotocollen (Moriello, 2004). Dit spoor heeft sindsdien niet tot een beschikbaar product geleid.
In 2026 maakt vaccinatie dus geen deel uit van de behandeling noch van de preventie van dermatofytose bij hond en kat.
Besluit
De uitgangspunten van de behandeling zijn niet veranderd: een systemisch antimycoticum, een lokale ontsmetting van de hele vacht, een mechanische en antimycotische ontsmetting van de omgeving, en een stopzetting op grond van opeenvolgende negatieve kweken en niet op het uiterlijk van de letsels. Wat wel veranderd is, zijn de middelen en de context. In Frankrijk heeft itraconazol zich als eerste keuze bij de kat gevestigd, waar het als enige over een vergunning in de indicatie beschikt. Terbinafine dringt zich op als fungicide alternatief, op voorwaarde dat 21 dagen en niet 14 als minimumduur wordt aangehouden: de werkelijke duur richt zich naar de kweken. Ketoconazol blijft het enige azool met een diergeneeskundige vergunning bij de hond, en griseofulvine overleeft in één enkele, weinig praktische orale poedervorm. Bij de hond ten slotte plaatst de enige enigszins uitgebreide reeks ketoconazol, itraconazol en terbinafine op dezelfde hoogte, wat de clinicus de keuze van de molecule laat maar hem voor twee ervan buiten de vergunning dwingt. Van de twee lichaamsbrede lokale middelen met aangetoonde resterende activiteit is er in Frankrijk maar één toegankelijk: enilconazol als emulsie.
De PCR, verleidelijk door haar snelheid, levert fout-positieven op en zegt niets over de genezing. En resistentie is geen theoretische veronderstelling meer: een mechanisme van mutatie van het squaleen-epoxidase circuleert in het Trichophyton-mentagrophytes-complex, terwijl Microsporum canis zelden een effluxresistentie ontwikkelt waarvan één felien geval is gemeld. Geen van deze mechanismen is tot op heden verbonden met gedocumenteerd klinisch falen bij gezelschapsdieren in Europa, en het therapiefalen, dat tot 40 % van de gevallen bereikt, laat zich vrijwel altijd verklaren door de dosis, de duur, het ontbreken van een lokaal middel of een niet gesaneerde omgeving. Het praktische gevolg is dus het protocol te herzien vóór de schimmel wordt beschuldigd, en daarna de soort moleculair te laten bepalen als het falen aanhoudt.
Literatuur
ANSES-ANMV, Agence nationale de sécurité sanitaire de l’alimentation, de l’environnement et du travail, Agence nationale du médicament vétérinaire. Samenvattingen van de productkenmerken: DERMOGINE oraal poeder voor paarden, honden en katten (vergunning FR/V/8551428); IMAVERAL (vergunning FR/V/7038748); ITRAFUNGOL 10 mg/ml orale oplossing (vergunning FR/V/7569820); KETOFUNGOL 200 mg (vergunning FR/V/0086228); FUNGICONAZOL 200 mg tabletten voor honden (vergunning FR/V/1622457). Register van in Frankrijk geregistreerde diergeneesmiddelen, geraadpleegd in 2026. Beschikbaar op: https://www.ircp.anmv.anses.fr
ANSM, Agence nationale de sécurité du médicament et des produits de santé. Onbeschikbaarheid van de specialiteiten GRISEFULINE 250 mg en 500 mg, tabletten. Brief aan de zorgverleners, Sanofi-Aventis France, 19 juli 2021.
Ahmad S. Emergent insights on the spread of antifungal-resistant Trichophyton indotineae dermatophyte: clonal expansion, adaptability dynamics and human-animal host adaptation. J Mycol Med. 2026;36(2):101608. doi:10.1016/j.mycmed.2026.101608
Aimoldina A, et al. Sensitivity of dermatophytes to terbinafine: world experience and recent findings from Kazakhstan. Antibiotics. 2026;15(3):266. doi:10.3390/antibiotics15030266
Aneke CI, Otranto D, Cafarchia C. Therapy and antifungal susceptibility profile of Microsporum canis. J Fungi (Basel). 2018;4(3):107. doi:10.3390/jof4030107
Aneke CI, Rhimi W, Otranto D, Pellicoro C, Cantacessi C, Cafarchia C. The best type of inoculum for testing the antifungal drug susceptibility of Microsporum canis: in vivo and in vitro results. Mycoses. 2020;63(7):711-6. doi:10.1111/myc.13090
Balda AC, Otsuka M, Gambale W, Larsson CE. Estudo comparativo entre a griseofulvina e a terbinafina na terapêutica das dermatofitoses em cães e gatos. Cienc Rural. 2007;37(3):750-4.
Bexton S, Nelson H. Comparison of two systemic antifungal agents, itraconazole and terbinafine, for the treatment of dermatophytosis in European hedgehogs (Erinaceus europaeus). Vet Dermatol. 2016;27(6):500-e133. doi:10.1111/vde.12378
Cheung W, et al. Retrospective comparison of polymerase chain reaction and culture-based identification for diagnosis of Microsporum canis and Trichophyton spp. in shelter cats and dogs. J Shelter Med Community Anim Health. 2024.
Chuenngam T, Chermprapai S. Comparative study of the efficacy of lime essential oil shampoo versus 2% miconazole/chlorhexidine combination shampoo for the treatment of dermatophytosis in client-owned cats. Vet Sci. 2026;13(1):52. doi:10.3390/vetsci13010052
Colombo S, Cornegliani L, Vercelli A. Efficacy of itraconazole as a combined continuous/pulse therapy in feline dermatophytosis: preliminary results in nine cases. Vet Dermatol. 2001;12(6):347-50. doi:10.1046/j.0959-4493.2001.00274.x
DeTar L, et al. Randomised non-inferiority trial comparing lime sulphur, miconazole-chlorhexidine and hydrogen peroxide for the topical treatment of dermatophytosis in shelter cats. J Feline Med Surg. 2025.
Frost K, et al. A retrospective analysis of the concordance of in-house fungal culture and a commercial quantitative PCR from 16 dermatology referral practices across the USA (2018-2019). Vet Dermatol. 2022;33(4):310-6.
Frymus T, Gruffydd-Jones T, Pennisi MG, Addie D, Belák S, et al. Dermatophytosis in cats: ABCD guidelines on prevention and management. J Feline Med Surg. 2013;15(7):598-604. doi:10.1177/1098612X13489222
Gnat S, Łagowski D, Dyląg M, Nowakiewicz A. European hedgehogs (Erinaceus europaeus L.) as a reservoir of dermatophytes in Poland. Microb Ecol. 2021;84(2):363-75. doi:10.1007/s00248-021-01866-w
Hsiao YH, Chen C, Han HS, Kano R. The first report of terbinafine resistance Microsporum canis from a cat. J Vet Med Sci. 2018;80(6):898-900. doi:10.1292/jvms.17-0680
Jacobson LS, McIntyre L, Mykusz J. Comparison of real-time PCR with fungal culture for the diagnosis of Microsporum canis dermatophytosis in shelter cats: a field study. J Feline Med Surg. 2018;20(2):103-7. doi:10.1177/1098612X17695899
Kano R, Kimura U, Kakurai M, Hiruma J, Kamata H, et al. Resistance mechanism in a terbinafine-resistant strain of Microsporum canis. Mycopathologia. 2018;183(3):623-7. doi:10.1007/s11046-018-0242-0
Kotnik T, Černe M. Clinical and histopathological evaluation of terbinafine treatment in cats experimentally infected with Microsporum canis. Acta Vet Brno. 2006;75:541-7.
Kotnik T, Kožuh Eržen N, Kužner J, et al. Terbinafine hydrochloride treatment of Microsporum canis experimentally-induced ringworm in cats. Vet Microbiol. 2001;83:161-8.
Liang T, et al. Antifungal resistance patterns of Microsporum canis: a 27-year MIC study in mainland China. Mycoses. 2025;68(1):e70020. doi:10.1111/myc.70020
Lund A, Deboer DJ. Immunoprophylaxis of dermatophytosis in animals. Mycopathologia. 2008;166(5-6):407-24. doi:10.1007/s11046-008-9111-6
Mancianti F, Pedonese F, Millanta F, Guarnieri L. Efficacy of oral terbinafine in feline dermatophytosis due to Microsporum canis. J Feline Med Surg. 1999;1(1):37-41. doi:10.1016/S1098-612X(99)90008-6
Mancianti F, Pedonese F, Zullino C. Efficacy of oral administration of itraconazole to cats with dermatophytosis caused by Microsporum canis. J Am Vet Med Assoc. 1998;213(7):993-5.
Medleau L, Chalmers SA. Resolution of generalized dermatophytosis without treatment in dogs. J Am Vet Med Assoc. 1992;201(12):1891-2.
Miller WH, Griffin CE, Campbell KL. Muller and Kirk’s Small Animal Dermatology. 7e dr. St. Louis: Elsevier Mosby; 2013.
Mohammadifard H, Amini K, Bayat M, Hashemi SJ, Noorbakhsh F. Molecular study and antifungal susceptibility profile of Trichophyton strains isolated from lesions of humans and cattle. Iran J Microbiol. 2022;14(4):587-97. doi:10.18502/ijm.v14i4.10246
Moriello K. Treatment of dermatophytosis in dogs and cats: review of published studies. Vet Dermatol. 2004;15(2):99-107. doi:10.1111/j.1365-3164.2004.00361.x
Moriello K. Dermatophytosis in cats and dogs: a practical guide to diagnosis and treatment. In Pract. 2019a;41(4):138-47. doi:10.1136/inp.l2140
Moriello K, Coyner K, Trimmer A, Newbury S, Kunder D. Treatment of shelter cats with oral terbinafine and concurrent lime sulphur rinses. Vet Dermatol. 2013a;24(6):618-20, e149-50. doi:10.1111/vde.12069
Moriello KA. Decontamination of 70 foster family homes exposed to Microsporum canis infected cats: a retrospective study. Vet Dermatol. 2019b;30(2):178-e55. doi:10.1111/vde.12722
Moriello KA. Immediate and residual antifungal activity of compounds used for whole body and adjuvant topical therapy against Microsporum canis: an in vitro study. Vet Dermatol. 2020;31(4):272-e64. doi:10.1111/vde.12842
Moriello KA, Coyner K, Paterson S, Mignon B. Diagnosis and treatment of dermatophytosis in dogs and cats. Clinical Consensus Guidelines of the World Association for Veterinary Dermatology. Vet Dermatol. 2017;28(3):266-e68. doi:10.1111/vde.12440
Moriello KA, Kunder D, Hondzo H. Efficacy of eight commercial disinfectants against Microsporum canis and Trichophyton spp. infective spores on an experimentally contaminated textile surface. Vet Dermatol. 2013b;24(6):621-3, e151-2. doi:10.1111/vde.12074
Moriello KA, Leutenegger CM. Use of a commercial qPCR assay in 52 high risk shelter cats for disease identification of dermatophytosis and mycological cure. Vet Dermatol. 2018;29(1):66-e26.
Nojo H, et al. Comparing the minimum inhibitory concentrations and minimum fungicidal concentrations of antifungal drugs in Microsporum canis. Med Mycol J. 2026;67(1):79-81. doi:10.3314/mmj.25-00024
Nuttall TJ, German AJ, Holden SL, Hopkinson C, McEwan NA. Successful resolution of dermatophyte mycetoma following terbinafine treatment in two cats. Vet Dermatol. 2008;19(6):405-10. doi:10.1111/j.1365-3164.2008.00712.x
Pieper JB, et al. Trichophyton mentagrophytes complex: a retrospective study of 64 dogs from the Central United States (1997-2020). Vet Dermatol. 2023;34(4):310-7. doi:10.1111/vde.13160
Stuntebeck R, Moriello KA, Verbrugge M. One vs two negative fungal cultures to confirm mycological cure in shelter cats treated for Microsporum canis dermatophytosis: a retrospective study. J Feline Med Surg. 2020;22(6):598-602.
Thakur S, Spruijtenburg B, Abhishek, Shaw D, de Groot T, et al. Whole genome sequence analysis of terbinafine resistant and susceptible Trichophyton isolates from human and animal origin. Mycopathologia. 2025;190(1):13. doi:10.1007/s11046-024-00920-8
Thomas P, Nair SS, Abdel-Glil MY, Prajapati SK, Anbazhagan S, et al. Whole genome sequencing of terbinafine-sensitive canine strains of Trichophyton indotineae isolated from India. J Mycol Med. 2025;35(4):101584. doi:10.1016/j.mycmed.2025.101584
Tiwari A, et al. Refractory dermatophytosis in a Spitz dog successfully managed with posaconazole: a case report. Animals. 2026;16(7):1050. doi:10.3390/ani16071050
Vadakkoot AP, et al. Identification of dermatophytes and comparative efficacy of topical antifungals for treating canine dermatophytosis. Turk J Vet Anim Sci. 2024;48(2):97-106. doi:10.55730/1300-0128.4342
VCA Animal Hospitals. Enilconazole. Geneesmiddelfiche, geraadpleegd in 2026. Beschikbaar op: https://vcahospitals.com/know-your-pet/enilconazole
Zineldar HA, et al. Molecular diagnostics and control of zoonotic dermatophytosis: first detection of Trichophyton indotineae in a dog in Africa. Animals. 2025;15(17):2622. doi:10.3390/ani15172622